Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15699

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 september 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 13 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019. UHT heeft een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2018 en 2019, omdat volgens haar alleen in deze jaren sprake was van KOT.
  • UHT heeft bij beschikking van 24 april 2023 met kenmerk UHT-CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 oktober 2024, ingekomen op 24 oktober 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 9 december 2025, als reactie op een verzoek van 27 november 2025 van de Commissie, meegedeeld dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van het recht om gehoord te worden en dat het bezwaar op grond van de stukken kan worden afgedaan. Gemachtigde heeft hierbij verzocht om een termijn voor het inbrengen van een nadere schriftelijke reactie van belanghebbende.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 4 februari 2026 op een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft op 27 februari 2026 daarop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Stukken O/GS

Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle stukken met betrekking tot de beoordeling van opzet/grove schuld (hierna: O/GS). Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken. Zij stelt dat belanghebbende in haar procesbelang wordt geschaad doordat zij niet over deze stukken beschikt.

De Commissie stelt vast dat uit het dossier volgt dat UHT tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is geweest van een (onterechte) kwalificatie O/GS. Dat laat onverlet dat de Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Kamerstukken II 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer de regering heeft verzocht te waarborgen dat ouders en hun gemachtigden standaard en actief inzage krijgen in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen.

Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.

Daarom adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan de beslissing op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.

Fraude Signalering Voorziening

De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT en het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV). UHT heeft hiervan een afschrift overgelegd. De FSV is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

Zienswijzen

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de zienswijzen die zij naar aanleiding van de voorlopige beslissing heeft ingediend, niet in het dossier zijn opgenomen.

De Commissie overweegt dat belanghebbende in deze bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien. Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende met het oog op de behandeling en de beoordeling van haar bezwaren geen relevant nadeel ondervonden van het gemis van de zienswijzen.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals die indertijd definitief is vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte O/GS-kwalificatie. De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van verlagingen of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

Op basis van het dossier stelt de Commissie vast dat belanghebbende in geen van de betrokken toeslagjaren als vooringenomen behandeld of als gedupeerde is aangemerkt. Aanwijzingen voor het tegendeel zijn er niet. Deze bezwaargrond gaat dus van een verkeerde veronderstelling uit. Deze bezwaargrond treft volgens haar daarom geen doel.

Bezwaarprocedure

Belanghebbende stelt verder dat over de jaren waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen.

De Commissie overweegt dat uit de voor haar beschikbare stukken niet is gebleken dat belanghebbende destijds een bezwaar heeft ingediend. Deze bezwaargrond treft volgens haar daarom geen doel.

Informatie KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat de B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat de B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt of aannemelijk wordt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft naar het oordeel van de Commissie geen doel.

Registratie kinderopvanginstelling

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken of aannemelijk is geworden van gebreken in de registratie van de kinderopvanginstelling waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2018 en 2019

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over het toeslagjaar 2008 is niet verlaagd.

Belanghebbende voert aan dat de vermelding HOTHOR (‘hoge toekenning, hoog risico’) op de uitsluitlijst niet gerechtvaardigd is en dat er geen aanleiding bestond om haar op de uitsluitlijst te zetten of onder toezicht te stellen.

Het is de Commissie bekend dat de B/T jaarlijks aanvragen voor KOT behandelt die een HOTHOR-signalering hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er volgt dan een handmatige controle om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico-inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daarvoor op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of discriminatie is uit de ter beschikking staande stukken onvoldoende gebleken.

Dergelijke aanwijzingen zijn ook niet aannemelijk geworden.

De verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2019 vond plaats ná 23 oktober 2019. De herstelregelingen zijn niet van toepassing op handelingen van de B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij een causaal verband bestaat tussen die handelingen en het vooringenomen handelen door de B/T van vóór die datum. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de B/T vóór 23 oktober 2019 vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake was van hardheid van het stelsel. De Commissie is daarom van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om over de beslissingen die de B/T ná 23 oktober 2019 heeft genomen te adviseren.

Over de toeslagjaren 2018 en 2019 was geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om deze onderdelen van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Werkelijke schade

Nu belanghebbende niet als gedupeerde is aangemerkt, kan zij geen verzoek indienen voor een vergoeding van werkelijke schade.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:

  • de bestreden beschikking in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter