BAC 2025-16873
Publicatiedatum 13-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 augustus 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 23 maart 2026
Overdracht advies aan UHT: 12 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 22 augustus 2024 (UHT-DCHO). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 5.177,- voor de maanden januari, februari en april tot en met december 2007 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, de maand maart 2007 en de jaren 2008 en 2009.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2012. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2005 tot en met 2009.
- UHT heeft bij besluit van 23 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 5.177,- voor de maanden januari, februari en april tot en met december 2007 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2006, de maand maart 2007 en de jaren 2008 en 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 september 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 juni 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 29 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 23 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2007 (met uitzondering van de maand maart) op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2005, 2006, de maand maart 2007, en de jaren 2008 en 2009 af te wijzen.
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2006 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
De Belastingdienst/Toeslagen (B/T) heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. De B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2006 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. De Commissie heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.
Voor de toeslagjaren 2008 en 2009 geldt dat belanghebbende geen KOT heeft aangevraagd, nadat deze door haar was stopgezet per 17 maart 2007. Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit eerste vereiste en komt daarom niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Voor toeslagjaar 2007 staat vast dat de nihilstelling van de KOT op 14 mei 2009 als vooringenomen handelen dient te worden beschouwd. Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. In de maand maart 2007 heeft belanghebbende, volgens de door haar opgestuurde jaaropgave, geen gebruik gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft over de maand maart 2007 dus evident geen recht op KOT en compensatie uit hoofde van vooringenomenheid behoeft voor die maand niet plaats te vinden. Voor compensatie op grond van bijzondere hardheid vindt de Commissie geen aanleiding, noch op grond van de wettelijke regeling, noch op grond van het door UHT gehanteerde beleid om in uitzonderlijke situaties de hardheidsregeling toe te passen.
Belanghebbende komt voor de maand maart 2007 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zonder de vooringenomen nihilstelling zijdens UHT, haar recht op KOT automatisch zou zijn voortgezet naar het toeslagjaar 2008. De Commissie volgt belanghebbende niet in deze stelling. Uit de stukken in het dossier volgt dat belanghebbende op 3 juli 2007 middels een wijzigingsformulier de KOT met terugwerkende kracht vanaf 17 maart 2007 heeft stopgezet. Op basis van deze stopzetting is de KOT niet automatisch verlengd naar toeslagjaar 2008. Zoals hiervoor opgemerkt, heeft belanghebbende daarna geen nieuwe KOT aanvraag ingediend voor het toeslagjaar 2008.
Compensatieberekening
De juistheid van de compensatieberekening is door gemachtigde bij gebrek aan wetenschap betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing de compensatieberekening toegelicht.
Uit de schriftelijke reactie van UHT volgt dat in de compensatieberekening fouten zijn gemaakt bij de berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o). UHT is bij de oorspronkelijke berekening uitgegaan van verkeerde data waardoor belanghebbende meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.
Omdat de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter