Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14968

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 23 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 25 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 juni 2023 (UHT-DCHA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011, 2012, 2015 en 2018. Belanghebbende heeft wel € 30.000,- ontvangen op grond van de Catshuisregeling.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2017. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is dit aangepast tot de jaren 2011, 2012, 2015 en 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 april 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2015 en 2018.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011, 2012, 2015 en 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 juni 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 23 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 2 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 9 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken is tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Motivering en zorgvuldigheid
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) – en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers ertoe dat het besluit niet behoeft te worden herroepen.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Catshuisbeoordeling
Het besluit van UHT van 8 mei 2021 waarbij aan belanghebbende een uitkering op grond van de Catshuisregeling werd toegekend, houdt onder meer in:

Wij zijn van mening dat u in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000. Dit is het bedrag dat u in ieder geval van ons krijgt voor de situatie met uw kinderopvangtoeslag (…). Wij hebben uw situatie nog niet helemaal beoordeeld. Dat gaan wij nog doen. Hebt u dan recht op meer dan € 30.000 ? Dan krijgt u een aanvulling op het bedrag dat u al van ons hebt ontvangen. (…).

Met name valt in het besluit – afgezien van de toezegging dat betrokkene de
€ 30.000,-nooit hoeft terug te betalen – niet de toezegging te lezen dat ook bij de integrale beoordeling van het verzoek voor herstel met toepassing van de herstelregelingen zal worden aangenomen dat belanghebbende is aan te merken als een gedupeerde die (in beginsel) aanspraak heeft op een compensatie op grond van die herstelregelingen. Juist bij de integrale beoordeling kan immers informatie naar boven komen die maakt dat de uitkomst, in negatieve zin, afwijkt van die van de lichte toets. Dat betekent dat het beroep van belanghebbende op een door het besluit van 8 mei 2021 gewekt vertrouwen in andere zin, faalt. Om dezelfde redenen kan aan correspondentie die naar aanleiding van dat besluit heeft plaatsgevonden geen vertrouwen worden ontleend voor de uitkomst van de integrale beoordeling. Hoewel het vervelend is voor belanghebbende dat zij wisselende informatie heeft ontvangen van UHT, levert dit niet automatisch onzorgvuldig handelen op. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2015 en 2018 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

De B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. De B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvang-instellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011, 2012, 2015 en 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter