BAC 2025-16031
Publicatiedatum 21-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 juli 2024 (UHT-DCHO)
Overdracht advies aan UHT: 10 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 104.837 voor de jaren 2008, 2009 en 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2011.
- UHT heeft bij besluit van 16 juni 2023, met kenmerk UHT-CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 28 mei 2024 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 104.561.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 104.837.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 augustus 2024, ingekomen op 15 augustus 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 3 februari 2026 heeft de Commissie gemachtigde per e-mail gevraagd of belanghebbende afzag van het recht om te worden gehoord. Tevens heeft de Commissie meegedeeld dat, indien van dit recht werd afgezien, met ingang van die datum een termijn van vijf weken gold voor het indienen van aanvullende gronden.
- Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet ter hoorzitting te zullen verschijnen. Van de mogelijkheid om aanvullende gronden in te dienen is geen gebruik gemaakt.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Het afzien van de hoorzitting
De Commissie constateert dat belanghebbende - blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van gemachtigde - over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.
In de kern samengevat heeft belanghebbende de volgende bezwaren tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Onvolledig dossier/persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie onderschrijft dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen zijn aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.
Doorlopende toeslagjaren
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden in een toeslagjaar acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT daarom dit deel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
Belanghebbende betoogt ten aanzien van het toeslagjaar 2007 dat sprake is van recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.
UHT stelt zich in haar schriftelijke beschouwing van 25 juni 2025 op het standpunt dat over het toeslagjaar 2007 geen sprake is van vooringenomen handelen, omdat in het toeslagjaar 2007 niet is teruggevorderd. Het is daardoor niet aannemelijk dat belanghebbende schade heeft geleden. Omdat er geen sprake was van een terugvordering over het toeslagjaar 2007 is er evenmin recht op compensatie op grond van hardheid. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.
Concluderend is de Commissie van opvatting dat, bij gebrek aan in een andere richting wijzende gegevens, niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende over het toeslagjaar 2007 aanspraak kan maken op compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende betoogt ten aanzien van het toeslagjaar 2011 dat sprake is van recht op compensatie vanwege vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel.
UHT stelt zich in haar schriftelijke beschouwing van 25 juni 2025 op het standpunt dat over het toeslagjaar 2011 er één neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden. De verlaging van € 12.314 naar € 0 is het gevolg van de stopzetting van de KOT per 1 januari 2011 op basis van gegevens verkregen van de kinderopvanginstelling. Er was geen reden voor B/T om aan deze informatie te twijfelen.
Tevens heeft belanghebbende de stopzetting van de KOT aan de hand van een brief met dagtekening 16 februari 2011 bevestigd.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2011 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel.
De terugvordering KOT over toeslagjaar 2011 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Forfaitaire bedrag materiële (h) en immateriële schade (n)
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd.
Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen en aanvullende compensatie, zoals vermeld in artikel 2.1 lid 3 Wht.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter