Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16027

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 mei 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 25 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 10 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2009.
  • UHT heeft bij besluit van 28 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 14 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 februari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 25 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 11 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Op diezelfde datum heeft gemachtigde laten weten dat hij geen nadere reactie wenst in te dienen.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat enkel de afwijzing voor toeslagjaar 2008 op grond van het ontbreken van hardheid in het geding is.

Hardheid 2008

Ten aanzien van het recht op compensatie op grond van de hardheidsregeling, specifiek de situatie dat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald naar de kinderopvanginstelling, verwijst belanghebbende in haar bezwaarschrift naar artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, en artikel 2.1, vierde lid, van de Wht. Volgens belanghebbende volgt uit deze bepalingen dat de wet als criterium hanteert de hoogte van de verlaging of terugvordering van het recht op kinderopvangtoeslag. In de praktijk past UHT echter een ander criterium toe.

UHT beoordeelt niet de hoogte van de terugvordering of verlaging, maar het verschil tussen de uitgekeerde toeslag en de werkelijke opvangkosten. Hierdoor houdt UHT geen rekening met de eigen bijdrage die reeds door de ouder en/of de gemeente is betaald. Belanghebbende stelt dat UHT hiermee niet voldoet aan de wettelijke norm en dat sprake is van hardheid nu voor november en december een bedrag van €1.564,- is uitbetaald aan het gastouderbureau (productie 2800004) en dit van belanghebbende is teruggevorderd.

UHT stelt dat het voorschot KOT wordt verleend voor de afname van de opvang. Daarnaast dient een ouder een eigen bijdrage te betalen aan de kinderopvanginstelling. Indien een ouder teveel eigen bijdrage heeft betaald aan de kinderopvanginstelling en dit niet heeft teruggevraagd, is dit de eigen verantwoordelijkheid van de ouder.

Verder stelt UHT dat uit het LIC-overzicht geconcludeerd kan worden dat er een bedrag van €9.376,- is overgemaakt naar Gastouderbureau [naam] (productie 2700004). Uit de jaaropgave volgt dat de totale opvangkosten €11.419,20 (productie 1208003) bedragen. De daadwerkelijke opvangkosten zijn hoger dan het uitbetaalde bedrag aan het gastouderbureau. De uitbetaalde KOT is daarmee volledig ten goede gekomen aan het betalen van de opvangkosten.

De Commissie oordeelt als volgt. Een belanghebbende heeft aanspraak op een bedrag aan compensatie wegens hardheid indien sprake is van een terugvordering of verlaging van KOT van minimaal € 1.500 en daarnaast sprake is van een bijzondere omstandigheid. Volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in 2.3.6. van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT (hierna: Handboek Vaktechniek) – kan onder meer sprake zijn van een bijzondere omstandigheid indien ten minste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en dit bedrag niet aan belanghebbende ten goede is gekomen. Het gaat in zoverre dus om een beleidsmatige nadere invulling van de hardheidsregeling. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze uitvoeringspraktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

Blijkens de voorhanden zijnde stukken is over het toeslagjaar 2008 sprake van een terugvordering KOT van €1.564. Bovendien is sprake van een betaling door B/T van KOT aan de kinderopvanginstelling ter hoogte van €9.376, en zijn de daadwerkelijke opvangkosten €11.419,20. De voornoemde afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek vermeldt dat de aan de KOI uitbetaalde KOT in mindering moet worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang (dat zijn de kosten die deels ook met de eigen bijdrage zijn voldaan). De Commissie is van oordeel dat - gezien de desbetreffende afdeling van het Handboek Vaktechniek - niet is gebleken dat de eigen bijdrage(n) van ouder, UWV of gemeente eerst in mindering moeten worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang. De KOI had immers recht op dat bedrag (inclusief eigen bijdrage) en heeft dat dus niet te veel ontvangen.

Afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek bepaalt verder dat als er omstandigheden zijn waaronder strikte toepassing van dit stappenplan leidt tot een onevenredige uitkomst, kan worden afgeweken van een strikte toepassing. Niet, althans onvoldoende, is vast komen te staan dat in casu sprake is van dergelijke omstandigheden, nu de verlaging van de KOT is ingegeven door de ontvangen informatie van DUO dat kind 2 (BSN ******), toen deze op 17 oktober 2008 de leeftijd van vier jaar bereikte, naar de basisschool is gegaan en dus geen aanspraak meer bestond op KOT voor dagopvang. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende over het toeslagjaar 2008 niet in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie op grond van hardheid. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter