Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16403

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 10 november 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A)

Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 10 november 2022.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend van €46.161,- voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 december 2020 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2009 tot en met 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluiten van 10 november 2022 met de kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A (hierna: “de bestreden besluiten”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van €46.161,- voor het jaar 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 18 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft in een e-mailbericht van 13 december 2025 desgevraagd aan de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Gemachtigde heeft verzocht om in plaats van een hoorzitting een schriftelijke ronde in te lassen. Gemachtigde heeft daarnaast in een e-mailbericht van 29 januari 2026 verzocht om uitstel voor het indienen van aanvullende bezwaargronden. De Commissie heeft ingestemd met dat verzoek.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 februari 2026 de gronden van het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft daarop gereageerd in een nadere schriftelijke reactie die is ontvangen op 26 februari 2026, waarbij ook een herbeoordeling is gemaakt over het toeslagjaar 2012.
  • Gemachtigde heeft daarop gereageerd in een e-mailbericht van 3 april 2026.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier

Belanghebbende heeft verzocht om zijn (volledige) persoonlijk dossier.

De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 11 december 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier of ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in zijn processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaargronden kunnen daarom niet tot het door hem gewenste resultaat leiden. Dit betekent dat de Commissie UHT adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Persoonlijk relaas van belanghebbende niet in kaart gebracht

Belanghebbende heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt wat zich destijds heeft afgespeeld en dat de persoonlijk zaakbehandelaar heeft nagelaten het persoonlijk relaas van belanghebbende in kaart te brengen.

De Commissie stelt vast dat de persoonlijk zaakbehandelaar op 16 maart 2022 een gesprek met belanghebbende heeft gevoerd, waarvan een verslag is gemaakt dat in het dossier is opgenomen (pagina 47 tot en met 51 bezwaardossier). Een deel van het betreffende verslag is bovendien opgenomen in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 18 en 19 bezwaardossier). Daarmee staat vast dat het persoonlijk relaas van belanghebbende in kaart is gebracht en is opgenomen in het bezwaardossier. Deze bezwaargrond kan gelet hierop niet slagen.

Toeslagjaar 2009

UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening gecontroleerd en vastgesteld dat die berekening voor wat betreft toeslagjaar 2009 op enkele punten onjuist is geweest. Component o, de toeslagrente over gemiste KOT, moet zijn €9.260,- in plaats van €8.504,-. Nu het bezwaar van belanghebbende om deze reden deels gegrond is, dient de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast.

De Commissie neemt met instemming hiervan kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven.

Component a in de compensatieberekening (2009)

Belanghebbende voert aan dat de toegekende KOT over het jaar 2009 onjuist is berekend. Verzocht is aan UHT om dit na te rekenen. Afhankelijk van de uitkomst daarvan is component a wel of niet juist, aldus belanghebbende.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. UHT heeft niet de bevoegdheid om over te gaan tot herziening van de in het verleden vastgestelde KOT. Nu dit onderdeel van het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Toeslagjaren 2010 en 2011

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2010 en 2011 af te wijzen.

De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.

Voor toeslagjaar 2010 is de KOT éénmaal neerwaarts bijgesteld. Dit is het gevolg van een door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting van de KOT per 1 januari 2010 (belmutatie, pagina 901 bezwaardossier). Dit strookt met de brief van belanghebbende van 14 juli 2011 (pagina 171 bezwaardossier) die als bijlage is gevoegd bij het antwoordformulier van 19 juli 2011. Belanghebbende schrijft daarin dat hij de KOT ‘vanwege de veranderde eisen in 2010’ per januari 2010 heeft stopgezet.

Voor toeslagjaar 2011 is de KOT tweemaal neerwaarts bijgesteld. De eerste bijstelling is het gevolg van de door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting van de KOT per 16 februari 2011 (Xml-bestand, pagina 934 bezwaardossier). Belanghebbende erkent bovendien in het oudergesprek dat hij de KOT heeft stopgezet en dat zijn ex-partner daarna de KOT opnieuw heeft aangevraagd (pagina 19 bezwaardossier). De tweede neerwaartse bijstelling is het gevolg van een hoger toetsingsinkomen.

Fraude 2011

Belanghebbende heeft ten aanzien van toeslagjaar 2011 aangevoerd dat in het bezwaardossier wordt gesproken over fraude (pagina 775, 874, 887 bewaardossier). Hij vraagt wat de reden hiervan was en welke gevolgen dit voor hem heeft gehad.

De Commissie is van mening dat UHT in de nadere schriftelijke beschouwing afdoende heeft toegelicht dat en waarom de fraudemeldingen in het dossier geen gevolgen hebben gehad voor de toekenning van de KOT aan belanghebbende.

Conclusie 2010 en 2011

Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 en 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.

Toeslagjaar 2012

UHT heeft, naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende, toeslagjaar 2012 alsnog herbeoordeeld. Belanghebbende komt niet in aanmerking voor compensatie omdat niet is gebleken van vooringenomen handelen, noch hardheid, zo luidt de conclusie van UHT.

Belanghebbende heeft in reactie daarop aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in deze herbeoordeling en dat sprake is van vooringenomen handelen dan wel hardheid over 2012.

De Commissie overweegt dat op grond van de voorhanden zijnde stukken vaststaat dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet met ingang van 3 januari 2012. Dat blijkt uit het door UHT in het geding gebrachte Xml-bestand waaruit kan worden herleid dat met de persoonlijke gegevens van belanghebbende, waaronder het burgerservicenummer van belanghebbende, is ingelogd in het digitale portaal en de KOT is stopgezet (productie 2700012). De Commissie heeft geen concrete aanknopingspunten om te twijfelen dat deze stop niet door of namens belanghebbende is gedaan. UHT heeft in haar beschouwing uiteengezet dat als gevolg van deze stop de KOT neerwaarts is bijgesteld (gerekend tot en met 2 januari 2012). De bijstellingen die daarna plaatsvonden zijn gedaan vanwege een hoger toetsingsinkomen. Dit zijn reguliere wijzigingen, van vooringenomen handelen noch hardheid is de Commissie niet gebleken. Het bezwaar op dit onderdeel kan daarom niet slagen.

Opzet/grove schuld (O/GS-kwalificatie)

Belanghebbende verzoekt voorts aan UHT om de onderliggende stukken te overleggen waaruit blijkt dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie.

De Commissie overweegt als volgt en stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS (pagina 969 bezwaardossier). De onderliggende stukken hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. Gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) dient UHT standaard en actief inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie.

Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026 (vindplaats: ECLI:NL:RBROT:2026:1545). Deze onderliggende stukken ontbreken in dit geval.

De Commissie adviseert UHT om, voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Overig

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beslissing met kenmerk UHT-DC I, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen en om:
  • de compensatieberekening als volgt aan te passen:
    • component o over toeslagjaar 2009 vast te stellen op €9.260,-;
    • de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
  • de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter