BAC 2023-14451
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 oktober 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 3 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking toewijzing compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €32.558,- voor de jaren 2006, 2007 (januari en februari), 2009 en 2011. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 (maart tot en met december), 2008, 2010 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2011. Later is dat uitgebreid en zijn de jaren 2006 tot en met 2012 betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij besluit van 6 mei 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is voor de maanden maart tot en met december 2007 en de jaren 2008 tot en met 2012.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €25.218,-.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €32.558,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 oktober 2023, ingekomen op 25 oktober 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 1 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 december 2025 een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- Op 3 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 december 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 januari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Afgewezen toeslagjaren/periodes
Toeslagjaar 2007 (maart tot en met december)
Belanghebbende stelt dat ten onrechte door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is aangenomen dat zij geen gebruik heeft gemaakt van opvang. Zij verklaart dat zij in september 2006 begonnen is met een studie en haar oudste kind vanaf dat moment naar de opvang ging (p. 19).
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. In de zaak van belanghebbende is buiten geschil dat aan die voorwaarden wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De bewijslast hiervoor ligt bij UHT.
In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat in dit kader vermeld:
Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.
De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor het toeslagjaar 2007 (en de overige herbeoordeelde jaren) is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom evident geen recht op KOT bestond. Van de juistheid van de KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer daarin gegevens over genoten kinderopvang zijn opgenomen.
De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om spontaan gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.
De Commissie overweegt daarnaast dat de enkele wijziging van de rekening waarop de KOT werd uitbetaald (de eerste twee maanden de rekening van de kinderopvanginstelling, daarna de rekening van belanghebbende) op zichzelf niets zegt over het al of niet zijn afgenomen van opvang.
De Commissie hecht geloof aan de verklaring van belanghebbende dat zij een studie volgde gedurende 2007. Deze stelling vindt steun in het RIS-systeem waarin is opgenomen dat belanghebbende studiefinanciering ontving in 2007. Belanghebbende onderbouwt met haar verklaring de aannemelijkheid van het afnemen van kinderopvang in 2007. UHT brengt daar in de aanvullende beschouwing tegenin dat er in 2007 geen kinderopvanginstelling is doorgegeven aan B/T. Daarnaast merkt zij op het onaannemelijk te vinden dat het tweede kind van belanghebbende geen gebruik maakte van gekwalificeerde opvang en het eerste kind wel.
De Commissie heeft echter in het ouderverhaal (p. 20) gelezen dat het tweede kind van belanghebbende bij familie werd ondergebracht. De Commissie acht het geen ongebruikelijke, laat staan onaannemelijke, situatie dat één kind bij familie wordt ondergebracht en voor het andere gekwalificeerde opvang wordt afgenomen. Reeds de verschuldigdheid van een eigen bijdrage bij gekwalificeerde kinderopvang kan daarvoor reden zijn.
Gelet op een en ander is de Commissie van opvatting dat UHT onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt om te oordelen dat belanghebbende in het jaar 2007 evident geen recht op KOT had.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en aan belanghebbende een compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen over het jaar 2007.
Toeslagjaren 2008 en 2009
Belanghebbende stelt dat zij de KOT voor toeslagjaar 2008 niet heeft stopgezet, maar dat B/T dat heeft gedaan.
De Commissie acht het ongebruikelijk dat een belanghebbende met een terugwerkende kracht van bijna anderhalf jaar de KOT stopzet. Voor het ongebruikelijke rust de bewijslast op degene die zich daarop beroept. Buiten de RKT-behandelstap, waarin staat dat het nihil beschikken op verzoek van de klant was (productie 1208005, p. 215), bevat het dossier geen onderliggend stuk van deze stopmelding door belanghebbende. De Commissie is dan ook van oordeel dat UHT niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de KOT stop heeft gezet.
Uit het dossier blijkt dat belanghebbende in 2008 en 2009 geregistreerd stond in de basisregistratie personen (BRP) als ‘vertrokken onbekend waarheen’ (hierna: VOW). Belanghebbende heeft verklaard dat zij in die tijd geen vast adres had en met haar kinderen afwisselend bij haar moeder en andere familieleden verbleef. Voorts verklaarde zij in de periode VOW wel kinderopvang te hebben afgenomen. De Commissie acht de verklaringen van belanghebbende geloofwaardig en zal daarvan uitgaan.
De Commissie is van oordeel dat het op de weg van B/T lag om contact op te nemen met belanghebbende alvorens tot het neerwaarts corrigeren van de KOT over te gaan. Uit het dossier blijkt dat B/T geen pogingen heeft gedaan om met belanghebbende in contact te komen. Evenmin heeft B/T informatie bij de kinderopvanginstelling ingewonnen om vast te stellen dat belanghebbende geen kinderopvang afnam (Informatie- en beoordelingsformulier, p. 22). UHT beargumenteert dat de nihilstelling terecht is met een beroep op artikel 4 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, waarin wordt bepaald dat het kind waarvoor toeslag wordt aangevraagd moet zijn ingeschreven op het adres van de aanvrager. Omdat belanghebbende stond ingeschreven als VOW, dus zonder adres, werd niet voldaan aan deze eis.
De Commissie is van oordeel dat B/T door het wettelijk systeem te volgen niet vooringenomen heeft gehandeld. Wel acht de Commissie het schrijnend dat in een situatie waarin belanghebbende door terugvorderingen van B/T haar woning kwijtraakte en dakloos werd, aan haar betaalde KOT werd teruggevorderd omdat zij niet met haar kinderen op een adres ingeschreven stond in de Basisregistratie personen. Onder de hiervoor vermelde omstandigheden van het geval heeft het stelsel te hard uitgewerkt voor belanghebbende en komt haar compensatie toe op grond van deze hardheid (zie in vergelijkbare zin Handboek Integrale beoordeling – Vaktechniek van UHT, hoofdstuk 3.1.12.).
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en belanghebbende over voor 2008 en 2009 te compenseren vanwege hardheid van het stelsel. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
Toeslagjaar 2010 en 2011
UHT acht in haar aanvullende beschouwing aannemelijk dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van opvang vanaf september 2010, de datum waarop zij weer ging studeren en op zichzelf ging wonen.
Voor toeslagjaar 2011 zal UHT compensatie toekennen voor de maanden januari tot en met april en september tot en met december.
De Commissie neemt met instemming kennis van bovenstaande.
Vanaf 8 april tot en met 22 september, was belanghebbende met haar kinderen VOW. B/T zou uitvraag hebben gedaan, maar deze brieven zijn niet terug te vinden.
Belanghebbende was doelgroeper, zij volgde een opleiding, wat wordt ondersteund door een registratie daarvan in RIS. Belanghebbende heeft verklaard dat haar kinderen altijd bij haar verbleven. Op gronden als hiervoor vermeld onder Toeslagjaar 2008 en 2009 adviseert de Commissie om voor de periode mei tot en met augustus 2011 compensatie vanwege hardheid van het stelsel toe te kennen.
Toeslagjaar 2012
De Commissie overweegt dat de KOT voor 2012 niet automatisch is gecontinueerd op basis van gegevens van het voorgaande jaar. Onder verwijzing naar hoofdstuk 3.1.6 van het Handboek UHT dient de vraag te worden beantwoord of B/T hieraan voorafgaand zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Uit dat onderzoek moet zijn gebleken dat er het volgende jaar naar alle waarschijnlijkheid geen recht bestaat op KOT. Daarnaast moet belanghebbende op de juiste manier zijn manier zijn geïnformeerd over het niet automatisch continueren. Nu de brief onbestelbaar retour is gekomen (p. 287) had het op de weg van B/T gelegen om telefonisch contact op te nemen met belanghebbende. Dit is niet gebeurd. Belanghebbende stelt dat zij gebruik heeft gemaakt van opvang en dat zij een studie volgde. Deze verklaring wordt ondersteund door een registratie in het RIS-systeem. Daarom adviseert de Commissie gelet op het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT hoofdstuk 3.1.6, om voor 2012 alsnog compensatie vanwege vooringenomenheid toe te kennen.
Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken. Zij benadrukt dat dit op de zaak betrekking hebbende stukken zijn die eraan zouden kunnen bijdragen om vooringenomen handelen aan te tonen.
De Commissie stelt vast dat voor (bijna) alle jaren waarin KOT is aangevraagd, compensatie is verstrekt of door de Commissie wordt geadviseerd. Op grond van artikel 2.6, vierde lid van de Wht is tegemoetkoming inzake O/GS dan niet aan de orde. Dat laat onverlet dat de Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage dient te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafdruk van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die betrekking hebben op de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.
Schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
Aangezien de bestreden beschikking volgens de Commissie niet in stand kan blijven, staat daarmee vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.
Compensatieberekening
UHT is tot de conclusie gekomen dat component I (invorderingskosten en -rente die door belanghebbende zijn betaald) onjuist is vastgesteld. Ten aanzien van component I had het bedrag onder component I € 1.353 moeten bedragen in plaats van € 893 (in de tabel op p. 11 staat €844).
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
- de vergoeding voor betaalde invorderingskosten en -rente (component i)
- de 1% aanvullende vergoeding (component p)
- alsnog compensatie toe te kennen voor de periode maart tot en met december 2007;
- alsnog compensatie toe te kennen voor 2008 en 2009;
- alsnog compensatie toe te kennen voor de periode mei tot en met augustus 2011;
- alsnog compensatie toe te kennen voor 2012;
- belanghebbende inzage te geven in alle stukken met betrekking tot de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter