Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16153

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 september 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 7 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 9 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door de UHT genomen definitieve beschikking inzake de beoordeling van de kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2013 en 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 13 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 en 2011. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit verzoek uitgebreid tot de toeslagjaren 2007 tot en met 2013 en 2017 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 16 februari 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 20 september 2023 (kenmerk: UHT-DCHA) aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2013 en 2017 tot en met 2019.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 13 november 2023 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit.
  • UHT heeft op 31 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 25 maart 2026 de gronden van het bezwaar aangevuld.
  • Op 7 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden tot de beslissing is gekomen om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

De Commissie stelt vast dat de gemachtigde in het aanvullende bezwaarschrift gronden aanvoert die zien op het toeslagjaar 2010 en dat de overige jaren onbesproken blijven. De Commissie heeft met betrekking tot deze overige jaren ook geen onregelmatigheden waargenomen, mede gelet op de beschouwing van UHT van 31 juli 2025. De Commissie zal zich hierna beperken tot het toeslagjaar 2010.

Toeslagjaar 2010

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, noch dat het stelsel in dit geval te hard heeft uitgewerkt. De neerwaartse bijstelling van de KOT van € 13.486 naar € 8.991 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.

De Commissie heeft daarbij kennisgenomen van het XML-bestand zoals dat in het systeem van B/T is geregistreerd met betrekking tot de KOT van belanghebbende. Uit dit bestand blijkt dat op 27 september 2010 de KOT met terugwerkende kracht per 1 september 2010 is stopgezet met DigiD-authenticatie van belanghebbende. Deze stopzetting is vervolgens in het TVS-systeem geregistreerd, waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een elektronische melding die door of namens belanghebbende is gedaan.

De Commissie overweegt dat het ontbreken van een persoonlijke DigiD-ondertekening in een XML-bestand op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat belanghebbende de stopzetting niet zelf heeft verricht. Ook een systeemhandtekening of intern gegenereerd bestand sluit niet uit dat de handeling via het burgerportaal met DigiD-authenticatie is uitgevoerd.

De bewijslast rust op belanghebbende als zij stelt dat de stopzetting niet door of namens haarzelf is uitgevoerd, terwijl het bestuursorgaan voldoende inzicht dient te bieden in de herkomst en de technische werking van de bestanden om te kunnen beoordelen of de handeling aan belanghebbende kan worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de stopzetting per 1 september 2010 elektronisch door of namens belanghebbende via het burgerportaal is doorgegeven en correct is verwerkt. De Commissie merkt daarbij op dat belanghebbende in het oudergesprek van 17 augustus 2023 heeft verklaard dat zij de stopzetting niet zelf heeft verricht, maar dat de kinderopvanginstelling alles voor haar regelde en met haar DigiD inlogde om wijzigingen in haar toeslagen aan te brengen. Ook in dat geval dient de stopzetting aan belanghebbende te worden toegerekend.

Het feit dat belanghebbende tegen de daaruit voortvloeiende beschikking van 12 oktober 2010 geen bezwaar heeft gemaakt, ondersteunt het standpunt van UHT dat de melding van of namens belanghebbende afkomstig is geweest. Bovendien blijkt uit het LIC-overzicht over 2010 dat de KOT rechtstreeks aan kinderopvanginstelling [naam KOI] is uitbetaald. Naar aanleiding van de neerwaartse beschikking van 12 oktober 2010 is belanghebbende vanaf 15 maart 2011 maandelijks € 109 gaan aflossen op de ontstane terugvordering. Indien de melding niet door of namens belanghebbende zou zijn gedaan, is niet goed verklaarbaar dat zij hieraan haar medewerking heeft verleend.

Daarnaast blijkt uit de KOI-viewer dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2010 kinderopvang heeft afgenomen bij [naam KOI]. In aansluiting daarop acht de Commissie het begrijpelijk en logisch dat belanghebbende per 1 oktober 2011 opnieuw KOT heeft aangevraagd.

De Commissie concludeert dat de stopzetting van de KOT over 2010 aan belanghebbende kan worden toegerekend en niet het gevolg is van eigen handelen van B/T. Het voorschot is naar aanleiding van een reguliere wijziging opnieuw berekend en de bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.

Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat niet is voldaan aan de financiële drempel van € 1.500. In totaal is een bedrag van € 11.574 aan de kinderopvanginstelling overgemaakt, terwijl de daadwerkelijke kosten € 11.375 bedroegen. Daarmee is € 199 te veel aan de kinderopvanginstelling overgemaakt, welk bedrag niet ten goede is gekomen aan belanghebbende.

Voorts is geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook op die grond geen aanspraak bestaat op een vergoeding.

Gelet op het voorgaande treffen de bezwaargronden geen doel.

Hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht

Op grond van artikel 9.1 van de Wht kan UHT in uitzonderlijke gevallen afwijken van de hoofdregels wanneer toepassing daarvan leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. In de praktijk wordt deze hardheidsclausule terughoudend toegepast en is toepassing slechts aan de orde bij bijzondere omstandigheden die het buiten toepassing laten van de hoofdregels rechtvaardigen. Zonder financiële schade of terugvordering is toekenning van compensatie daarom slechts in uitzonderlijke en goed gemotiveerde situaties mogelijk.

Hierbij kan worden gedacht aan situaties met zeer ernstige persoonlijke of sociale gevolgen, zoals wanneer een ouder als gevolg van het toeslagenschandaal langdurig in de schulden raakt of wanneer kinderen uit huis worden geplaatst, terwijl de standaardcompensatie onvoldoende recht doet aan de geleden schade. Ook kan de hardheidsclausule worden toegepast bij een onterechte uitsluiting van compensatie, bijvoorbeeld door een administratieve fout, of bij ernstige medische of psychische noodsituaties als gevolg van het toeslagenschandaal.

De Commissie is van oordeel dat de situatie van belanghebbende niet als uitzonderlijk kan worden aangemerkt en dat toepassing van de hardheidsclausule daarom niet aan de orde is. Uit het LIC-overzicht van 2010 blijkt dat de terugvordering van € 4.495 gedeeltelijk kon worden verrekend met nog niet uitbetaalde KOT over dat jaar. Het betreft een bedrag van € 1.912. Voor het resterende bedrag heeft B/T met belanghebbende een betalingsregeling getroffen, waarbij vanaf 15 maart 2011 maandelijks € 109 is afgelost. Daarnaast heeft B/T bedragen van € 1.478 en € 403 verrekend met respectievelijk het kindgebonden budget over 2012 en de KOT over 2012.

De Commissie begrijpt dat deze verrekeningen voor belanghebbende ingrijpend hebben kunnen zijn en tot betalingsproblemen hebben geleid. De Commissie acht deze gevolgen echter niet zodanig dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard of van een zeer uitzonderlijke situatie.

Deze bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter