BAC 2025-16004
Publicatiedatum 21-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 29 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 20 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met2015.
In overleg met belanghebbende zijn deze jaren uitgebreid naar 2008 tot en met 2017. - UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 29 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 27 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Toeslagjaar 2011
De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet volgt dat sprake was van neerwaartse correcties in de KOT over het toeslagjaar 2011. Belanghebbende heeft ook niet gesteld dat zij over het toeslagjaar 2011 op enig moment KOT heeft moeten terugbetalen. Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over het toeslagjaar 2011 schade heeft geleden. Daarom komt belanghebbende niet in aanmerking voor een bedrag aan compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de nihilstelling van de KOT over toeslagjaar 2013 vooringenomen is geweest. Er zijn twee uitvraagbrieven geweest. Gemachtigde verwijst naar de brief van 27 januari 2021 waarin belanghebbende aandacht vraagt voor onterecht teruggevraagde toeslagen over het toeslagjaar 2013. Belanghebbende zegt hierin dat zij desgevraagd op 22 februari 2013 de handtekening van haar moeder heeft toegestuurd (bladzijde 321 van het dossier). Gemachtigde stelt dat dit aannemelijk maakt dat zij wel degelijk heeft gereageerd op de uitvraagbrieven van B/T.
Gemachtigde verwijst voorts naar de brief van 22 februari 2013. Hierin staat dat belanghebbende geen recht heeft op toeslag omdat haar moeder bij haar woonachtig is, en dat alleen nog haar handtekening nodig is. Gemachtigde stelt zich op het standpunt dat hieruit blijkt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de KOT bij voorbaat al voornemens was stop te zetten, en dat dit vooringenomenheid oplevert. Het maakte volgens gemachtigde in dit geval niet uit of belanghebbende wel of niet zou reageren, c.q. het aanleveren van de handtekening van haar moeder – hierin geen verandering zou brengen, want B/T zou de KOT toch stopzetten. Belanghebbende betoogt dat hier de vooringenomen handelswijze van B/T reeds in ligt besloten UHT stelt zich op het standpunt dat B/T voldoende heeft uitgevraagd alvorens de KOT op 21 mei 2013 op nihil werd gesteld.
In het dossier zijn de uitvraagbrieven van 22 februari 2013 (bladzijde 349) en
8 april 2013 (bladzijde 661) aanwezig. Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de neerwaartse wijziging van 21 mei 2013 doorvoerde naar aanleiding van een non-response van belanghebbende op de uitvraag in voornoemde brieven om de handtekening van haar moeder (de toeslagpartner).
De Commissie begrijpt dat de door belanghebbende beschreven situatie voor haar onbevredigend is geweest, maar ziet daar op zichzelf bezien onvoldoende aanknopingspunten in die maken dat er sprake kan zijn geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie weegt hierin mee dat uit de desbetreffende uitvraagbrieven blijkt, dat belanghebbende de Belastingtelefoon kon bellen, om te laten weten dat, haar moeder niet bij haar in huis woonde en de bij B/T bekende gegevens dus niet correct zouden zijn. Daaruit blijkt, dat het voornemen van B/T om de KOT stop te zetten, niet meer dan een voornemen was en dat het definitieve besluit afhing van de reactie op de uitvraagbrieven.
Ook weegt de Commissie mee dat niet is komen vast te staan dat B/T wijzigingen doorvoerde op basis van informatie die achteraf gezien niet correct was. Concluderend overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat over het toeslagjaar 2013 sprake is van vooringenomen handelen dan wel van hardheid van het stelsel, nu belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om informatie aan te leveren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Ex-nunc benadering op grond van artikel 7:11 Awb
UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 12 februari 2026 het standpunt ingenomen dat in de situatie omtrent het gewijzigde beleid omtrent toeslagpartnerschap geen sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden die relevant zijn voor de beoordeling van het toeslagpartnerschap indertijd.
Eventuele wijzigingen in beleid kwalificeren niet als gewijzigde feiten en omstandigheden, maar als een wijziging van het beoordelingskader.
De Commissie acht dit standpunt van UHT begrijpelijk en navolgbaar en ziet geen aanleiding om te adviseren dat sprake zou zijn van vooringenomen handelen dan wel van hardheid van het stelsel.
Overige toeslagjaren
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2012, 2014, 2015, 2016 en 2017 sprake is van vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties in KOT over deze toeslagjaren waren gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren, een veranderd uurtarief, veranderingen in het toetsingsinkomen van belanghebbende en in stopzettingen van de KOT over de respectievelijke toeslagjaren door belanghebbende zelf. Belanghebbende heeft ook niet betoogd dat over de voornoemde toeslagjaren sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid van het stelsel. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kosten rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beschikking niet behoeft te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen, af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter