Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16395

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 april 2024 (UHT-DCHOA)

Behandeling op stukken: 13 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 18 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 29 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit beoordeling kinderopvangtoeslag van 29 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna onder meer: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2016. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2007 tot en met 2015 beoordeeld.
  • UHT heeft bij voorlopige beslissing van 30 januari 2024 met kenmerk UHT-VCH A geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft op 18 maart 2024 per e-mail een zienswijze ingediend tegen deze voorlopige beslissing.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 april 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2007 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd.
  • De Commissie heeft gemachtigde op 13 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om, indien zij dat wenst, voor 17 februari 2026 nog een aanvulling op het bezwaar in te dienen. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
  • Op 21 januari 2026 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c en d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 13 maart 2026.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onderliggende stukken en persoonlijk dossier

Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken en om inzage in haar persoonlijk dossier.

De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 12 januari 2026 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2007 tot en met 2015

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van het bestreden besluit, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2015 af te wijzen.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelswijze van B/T.

Beoordeling afwijzing toeslagjaren 2007 tot en met 2012 en 2015

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2012 en 2015.

De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat ten aanzien van het toeslagjaar 2007 belanghebbende de KOT met terugwerkende kracht heeft aangevraagd. B/T heeft vervolgens op 3 maart 2008 overeenkomstig deze aanvraag een voorschotbeschikking afgegeven. Van een neerwaartse correctie van de KOT is in dit jaar geen sprake geweest.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2008 heeft belanghebbende op 20 februari 2008 een wijziging met betrekking tot de KOT ingediend. Omdat voorafgaand aan deze wijziging nog geen aanvraag voor KOT was ingediend, heeft B/T deze wijziging aangemerkt als een aanvraag. Vervolgens heeft B/T op 31 maart 2008 een voorschotbeschikking afgegeven. In dit toeslagjaar heeft één neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden, naar aanleiding van een door of namens belanghebbende geretourneerd antwoordformulier, vergezeld van een jaaropgave. Dit betreft een reguliere wijziging.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2009 heeft geen neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 heeft één neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden, naar aanleiding van een telefonische stopzetting van de KOT door of namens belanghebbende op 6 januari 2010, met ingang van 1 januari 2010. Vervolgens is door of namens belanghebbende op 25 oktober 2010 opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 1 januari 2010, waarna B/T op 9 november 2010 overeenkomstig de aanvraag een voorschotbeschikking heeft afgegeven. Dit betreft een reguliere wijziging.

Ten aanzien van de toeslagjaren 2011 en 2012 hebben geen neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden.

Ten aanzien van het toeslagjaar 2015 is geen KOT toegekend, aangezien door of namens belanghebbende op 12 december 2014 de KOT met ingang van 1 januari 2015 is stopgezet.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2012 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld, of dat toepassing van het stelsel te hard is geweest. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT derhalve de bezwaren op deze onderdelen ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2013 en 2014

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor de toeslagjaren 2013 en 2014.

Uit het dossier volgt dat ten aanzien van het toeslagjaar 2013 één neerwaartse bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden naar aanleiding van gegevens over gewerkte uren uit de UWV-viewer. Voor het toeslagjaar 2014 hebben drie neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden. De eerste bijstelling vond eveneens plaats naar aanleiding van gegevens over gewerkte uren uit de UWV-viewer. Daarnaast werd bij deze bijstelling rekening gehouden met een melding van DUO waaruit volgde dat het kind met BSN***897 naar de basisschool ging, waardoor het recht op dagopvang verviel (zie tijdlijn informatie- en beoordelingsformulier, p. 42 en p. 48, derde bullit, ouderdossier). Deze melding komt overeen met het feit dat het kind met BSN ***897 vier jaar was geworden. Naar het oordeel van de Commissie zijn er geen aanwijzingen dat B/T aanleiding had om aan de juistheid van deze melding van DUO te twijfelen.

De bijstellingen die zijn gebaseerd op de gegevens over gewerkte uren uit de UWV-viewer vonden plaats in het kader van de destijds voor buitenschoolse opvang geldende 70%-regeling binnen de koppeling gewerkte uren (KGU) op grond van artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag, zoals dat destijds luidde.

De Commissie ziet in het licht van de feiten en omstandigheden zoals die thans uit de stukken blijken geen aanleiding om te twijfelen aan de toepassing van de koppeling tussen de gewerkte uren en het aantal uren KOT voor de toeslagjaren 2013 en 2014.

Ten aanzien van de overige neerwaartse bijstellingen in het toeslagjaar 2014 overweegt de Commissie het volgende. De tweede neerwaartse bijstelling is het gevolg geweest van een door of namens belanghebbende doorgegeven wijziging van de opvangperiode voor het kind met BSN ***725, namelijk van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 naar 1 januari 2014 tot en met 30 november 2014. De derde neerwaartse bijstelling volgde uit een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT voor ditzelfde kind voor de periode van 1 september 2014 tot en met 10 september 2014.

Concluderend is de Commissie van opvatting dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid over de toeslagjaren 2013 en 2014. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Werkelijke schade

Belanghebbende verzoekt om het bezwaarschrift door te zenden aan de Commissie Werkelijke Schade.

De Commissie overweegt dat voor een aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt.

Aangezien de Commissie, zoals hierboven reeds is uiteengezet, van oordeel is dat belanghebbende geen aanspraak heeft op compensatie of een tegemoetkoming op grond van de Wht, komt belanghebbende evenmin in aanmerking voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om:

  • het bezwaar tegen het bestreden besluit van 29 april 2024 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter