Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16015

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 maart 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 21 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 8 maart 2024 (UHT-DCHO).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2017. Wel is een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend voor een bedrag van € 3.351,- voor het jaar 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij besluit van 21 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de jaren 2012 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 8 maart 2-24 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2017. Wel heeft UHT een tegemoetkoming O/GS toegekend voor een bedrag van € 3.351,- voor het jaar 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 23 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • Bij brief van 20 januari 2026 heeft gemachtigde het bezwaar nogmaals aangevuld.
  • UHT heeft op 20 januari 2026 een ontbrekend XML-bestand toegezonden.
  • Op 21 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 februari 2026 en 9 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 20 februari 2026 en 9 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2017 af te wijzen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Het ouder- en bezwaardossier, aangevuld met een beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het jaar 2012.

Uit het dossier volgt dat de KOT in 2012 tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling is het gevolg geweest van een door of namens belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 1 juli 2012. Dit is een reguliere wijziging. De tweede neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een gewijzigd toetsingsinkomen en gegevens over gewerkte uren uit de UWV-viewer.

In artikel 2.1 van de Wht is – kort gezegd- bepaald dat compensatie wordt toegekend indien sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid. Lid 2 bepaalt dat compensatie achterwege blijft bij toerekenbare ernstige onregelmatigheden. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als uit het dossier blijkt dat er evident geen recht op kinderopvangtoeslag bestond.

De Commissie stelt vast dat volgens het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16 pagina 34, het zonder voorafgaande uitvraag verlagen van de KOT naar aanleiding van de gewerkte uren zoals opgenomen in de UWV-viewer, in beginsel vooringenomen is. De Commissie meent echter dat compensatie op die grond terecht is afgewezen. In toeslagjaar 2012 was belanghebbende namelijk geen doelgroeper (productie 0900001, pagina’s 104 tot en met 106). Zij had dus evident geen recht op toeslag. Verder is niet gebleken dat de gewerkte uren in UWV-viewer onjuist zijn vermeld, zodat ook daarin geen verdere fouten van B/T zijn gelegen die maken dat lid 2 niet van toepassing is. Concluderend is de Commissie van opvatting dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid voor toeslagjaar 2012.

Belanghebbende stelt verder dat zij voor toeslagjaar 2012 aanspraak maakt op een bedrag aan compensatie op grond van hardheid, specifiek de situatie dat de kinderopvangtoeslag is uitbetaald naar de kinderopvanginstelling (hierna: KOI). Hiertoe beroept belanghebbende zich op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, en artikel 2.1, vierde lid, van de Wht. Volgens belanghebbende volgt uit deze bepalingen dat de wet als criterium hanteert de hoogte van de verlaging of terugvordering van het recht op kinderopvangtoeslag. In de praktijk past UHT echter een ander criterium toe. UHT beoordeelt niet de hoogte van de terugvordering of verlaging, maar het verschil tussen de uitgekeerde toeslag en de werkelijke opvangkosten. Hierdoor houdt UHT geen rekening met de eigen bijdrage die reeds door de ouder en/of de gemeente is betaald.

UHT stelt dat aan de hand van het LIC-overzicht geconcludeerd kan worden dat een bedrag van € 1.965,- is overgemaakt naar de KOI (productie 2700002). Uit de KOI-viewer volgt dat dat de totale opvangkosten € 4.131,27 bedragen (productie 1212009). De daadwerkelijke opvangkosten zijn hoger dan het uitbetaalde bedrag aan de kinderopvanginstelling. De uitbetaalde KOT is daarmee volledig ten goede gekomen aan het betalen van de opvangkosten.

De Commissie oordeelt als volgt. Een belanghebbende heeft aanspraak op een bedrag aan compensatie wegens hardheid indien sprake is van een terugvordering of verlaging in KOT van minimaal € 1.500,- en daarnaast sprake is van een bijzondere omstandigheid. Volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in 2.3.6. van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT (hierna: Handboek Vaktechniek) – kan onder meer sprake zijn van een bijzondere omstandigheid indien ten minste €1.500,-teveel is uitbetaald aan de KOI en dit bedrag niet aan belanghebbende ten goede is gekomen. Het gaat in zoverre dus om een beleidsmatige uitbreiding van de hardheidsregeling. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De voornoemde afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek vermeldt dat de aan de KOI uitbetaalde KOT in mindering moet worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang (dat zijn de kosten die deels ook met de eigen bijdrage zijn voldaan). De Commissie is van oordeel dat niet is gebleken dat de eigen bijdrage(n) van ouder, UWV of gemeente eerst in mindering moet(en) worden gebracht op de daadwerkelijke kosten van opvang. De KOI had immers recht op dat bedrag (inclusief eigen bijdrage) en heeft dat dus niet te veel ontvangen.

Afdeling 2.3.6. van het Handboek Vaktechniek vermeldt verder dat als er omstandigheden zijn waaronder strikte toepassing van dit stappenplan leidt tot een onevenredige uitkomst, kan worden afgeweken van een strikte toepassing. Niet, althans onvoldoende, is vast komen te staan dat in casu sprake is van dergelijke omstandigheden. De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende over toeslagjaar 2012 niet in aanmerking komt voor een bedrag aan compensatie op grond van hardheid. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2013 en 2014

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat in de toeslagjaren 2013 en 2014 vooringenomen is gehandeld door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). B/T had volgens haar niet enkel op basis van de gegevens uit KOI-viewer mogen beschikken, maar eerst nader moeten uitvragen bij belanghebbende. De Commissie overweegt als volgt.

Als de KOT zonder voorafgaande uitvraag is verlaagd naar aanleiding van de afgenomen opvanguren zoals opgenomen in de KOI-viewer, is dat in beginsel niet vooringenomen.

Dat kan anders zijn als B/T in redelijkheid had moeten twijfelen aan de gegevens in de KOI-viewer. Dat is onder meer het geval wanneer er gegevens in de KOI-viewer ontbreken of wanneer deze afwijken van andere gegevens die bij de B/T bekend zijn. Dat is in het geval van belanghebbende niet aan de orde. De Commissie overweegt dat uit het bezwaar onvoldoende aanknopingspunten zijn gebleken waarom de B/T niet uit mocht gaan van de gegevens uit de KOI-viewer. De enkele betwisting door belanghebbende van de juistheid van de KOI-viewer en de verstrekking van het overzicht van door haar gevolgde opleidingen is hiertoe niet toereikend. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015

Ten aanzien van toeslagjaar 2015 stelt UHT dat weliswaar sprake is van vooringenomen handelen door B/T, maar dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie omdat zij in dit jaar geen kinderopvang heeft afgenomen. Daarom heeft zij evident geen recht op KOT en evenmin op compensatie.

Belanghebbende betwist dat zij geen kinderopvang heeft afgenomen. Zij was gedurende het gehele jaar doelgroeper en stelt dat zij voor- en naschoolse opvang heeft afgenomen.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT valt onder artikel 2.1. lid 2 Wht. De bewijslast hiervoor ligt bij UHT.

De Commissie meent dat UHT met haar motivering in de beschouwing en overgelegde producties heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De Commissie merkt in dit verband op dat in KOI-viewer 2015 geen gegevens zijn vermeld. Verder zijn geen opvangcontracten, jaaropgaven of andere bewijstukken van opvang beschikbaar en volgt uit de tijdlijn dat belanghebbende het gehele jaar geen wijziging heeft doorgegeven. Verder acht de Commissie van belang dat belanghebbende heeft verklaard dat steeds opvang is geweest bij dezelfde KOI en dat in de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 wel opvanggegevens in KOI-viewer zijn vermeld. De Commissie acht het in het licht van het voorgaande dan ook niet aannemelijk dat belanghebbende in dit toeslagjaar opvang heeft afgenomen. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2016 en 2017

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie voor deze jaren. Zij stelt dat zij de informatiebrieven van B/T niet heeft ontvangen. Zij had in die periode een bewindvoerder en stelt dat onduidelijk is aan wie de uitvraagbieven zijn verzonden.

Volgens UHT komt belanghebbende niet voor compensatie in aanmerking, omdat voorafgaand aan de nihil stelling in 2016 en 2017 informatiebrieven aan belanghebbende zijn gestuurd waarop zij niet heeft gereageerd. Van vooringenomen handelen van B/T is dan ook geen sprake.

De Commissie overweegt als volgt.

Uit de stukken volgt dat B/T de uitvraagbrieven van 16 mei 2017 (productie 1217003) en 17 juni 2017 (productie 1217004), waarbij informatie is opgevraagd over de toeslagjaren 2016 en 2017 heeft verzonden naar [adres]. Uit productie 2700012 volgt dat belanghebbende in de periode van 7 mei 2015 tot 9 oktober 2018 op dit adres ingeschreven stond. Uit het dossier blijkt niet dat het adres van de bewindvoerder bij B/T bekend was als correspondentieadres.

De Commissie erkent dat gelet op wat ter hoorzitting naar voren is gebracht onduidelijkheid bestaat over de vraag of de betreffende brieven belanghebbende daadwerkelijk hebben bereikt. Deze onduidelijkheid doet er echter niet aan af dat voor de toeslagjaren 2016 en 2017 niet is gebleken dat belanghebbende opvang heeft afgenomen. Ook in deze bezwaarprocedure zijn geen aanknopingspunten naar voren gebracht om aan te nemen dat sprake is geweest van kinderopvang, zodat moet worden geconcludeerd dat belanghebbende evident geen recht op KOT had.

Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in de toeslagjaren 2016 en 2017 zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft ondervonden. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagpartner [naam]

Belanghebbende voert aan dat haar neefje, [naam] ten onrechte is aangemerkt als toeslagpartner en dat sprake is van vooringenomen handelen van B/T.

UHT heeft in de nadere beschouwing van 9 maart 2026 toegelicht dat [naam] – het pleegkind van belanghebbende – als toeslagpartner is aangemerkt voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 en gedeeltelijk voor toeslagjaar 2015. Op grond van de Omtzigt-regeling is iemand die 18 jaar of ouder is en samenwoont met iemand die 18 jaar of ouder is en met een kind samen ingeschreven staat automatisch toeslagpartner. In de gegevenskoppeling van de gemeente is niet te zien of iemand een pleegkind is. Op de website www.pleegzorg.nl is vermeld dat als een pleegouder niet wil dat een pleegkind als toeslagouder wordt aangemerkt hiertoe een gezamenlijk verzoek kan worden ingediend bij de belastingdienst. Niet gebleken is dat belanghebbende en [naam] gezamenlijk een dergelijk verzoek hebben ingediend. UHT voegt hieraan toe dat sprake is van een automatisch proces, zodat van vooringenomen handelen van B/T geen sprake is.

De Commissie ziet geen aanleiding dit standpunt van UHT voor onjuist te houden.

Aanspraak Kindregeling

Belanghebbende stelt tot slot dat [naam] recht heeft op de Kindregeling. UHT heeft deze grond aangemerkt als een aanvraag van [naam] om in aanmerking te komen deze regeling. Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde gesteld dat B/T niet op de aanvraag heeft gereageerd.

De Commissie stelt vast dat de aanvraag van [naam] buiten de omvang van onderhavige bezwaarprocedure valt. Volledigheidshalve merkt de Commissie op dat uit nadere informatie van UHT, ontvangen op 21 januari 2026, volgt dat op 14 juli 2025 een besluit is genomen over de aanspraak van [naam] op de Kindregeling. In verband met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) kan dit besluit in deze procedure niet worden gedeeld.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter