Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16810

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 juli 2024, UHT-DCHOA (hierna: bestreden besluit)

Hoorzitting: 1 april 2026

Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2018 en 2019. De jaren 2011 tot en met 2019 zijn betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij besluit van 2 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 augustus 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 12 augustus 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 1 april 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de bezwaargronden zich beperken tot toeslagjaar 2018.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een herstelregeling over toeslagjaar 2018. De KOT is verlaagd naar aanleiding van de door haar ingestuurde stukken. Met deze stukken heeft belanghebbende willen aantonen dat zij in de maand augustus student was. Zij heeft een bewijs van studiefinanciering voor de maand augustus overgelegd (p. 477 ouderdossier). Volgens belanghebbende had B/T de KOT voor de maand augustus daarom niet op nihil mogen stellen.

UHT stelt dat B/T op basis van de beschikbare stukken de KOT voor de maand augustus wel op nihil mocht stellen. Uit de overgelegde documenten bleek namelijk niet dat belanghebbende in die maand student was en onderwijs volgde.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. Uit de door belanghebbende toegestuurde stukken destijds kon niet worden opgemaakt dat zij in de maand augustus student was en recht had op KOT. De handelswijze van B/T kan daarom niet als vooringenomen worden aangemerkt. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter