Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16652

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 februari 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 25 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 16 februari 2023 (bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij besluit van 7 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat belanghebbende over de jaren 2012 en 2013 niet in aanmerking komt voor een herstelregeling.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 en 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 maart 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 25 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Ouderdossier en inzage WDE-systeem

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier geen sprake is van ‘equality of arms’. De Commissie volgt deze stelling van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Daarnaast wenst belanghebbende het resultaat te zien van een zoekvraag in het WDE-systeem met haar BSN. De Commissie overweegt dat UHT heeft vermeld geen toegang te hebben tot het WDE-systeem. De Commissie heeft geen reden aan die mededeling te twijfelen. Er zijn ook geen aanwijzingen aangedragen die erop wijzen dat mogelijk informatie in dat systeem is opgenomen die van belang is voor de beoordeling van de betrokken jaren. Daarom kan worden ingestemd dat de beoordeling is uitgevoerd op grond van het ouderdossier en de aanvullende producties.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afgewezen compensatie toeslagjaren 2012 en 2013

De Commissie stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de stopzettingen en terugvorderingen van de KOT over 2012 en 2013 vooringenomen gehandeld heeft. UHT heeft zich echter op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat niet aannemelijk is dat belanghebbende (gekwalificeerde) opvang heeft afgenomen. Daarmee was sprake van een situatie van evident geen recht, aldus UHT.

Belanghebbende betwist dat sprake is van een situatie van evident geen recht. Zij stelt dat zij gedurende 2012 en 2013 kinderopvang heeft afgenomen en recht heeft op compensatie vanwege het vooringenomen handelen van B/T gedurende deze periode. Zij heeft de omstandigheden onder inzending van stukken over haar woningbrand toegelicht dat zij geen bewijsstukken meer kan overleggen.

De Commissie overweegt als volgt. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld is daarmee gegeven dat de compensatieregeling van toepassing is. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat in dit kader vermeld:

Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.

De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor de toeslagjaren 2012 en 2013 is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over die jaren geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom evident geen recht op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen.

De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.

UHT baseert haar oordeel in dit geval op de KOI-viewer die geen opvanggegevens toont van de kinderen van belanghebbende, maar wel van andere kinderen bij opvanginstelling [naam]. De Commissie meent dat aan deze aldus verkregen gegevens niet de betekenis mag worden gehecht die UHT daaraan gehecht wil zien. Immers niet valt te garanderen dat de kinderopvanginstelling gegevens van alle kinderen in KOI-viewer invoerde. Bovendien is over de bedoelde gegevens van anderen geen enkele onderbouwing in geding gebracht. Verder heeft UHT haar standpunt gebaseerd op de omstandigheden dat geen documenten over opvang zijn teruggevonden zoals jaaropgaven, opvangcontracten en facturen en dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen.

Daartegenover constateert de Commissie dat in de systemen informatie voorhanden was over het aantal opvanguren, de kinderen, de datum van ingang, de kinderopvanglocatie en over het arbeidsinkomen (productie 0200001). Die gegevens maken opvang juist aannemelijk en kunnen dus niet leiden tot evident geen recht. Dat die gegevens volgens UHT uit eenzelfde bron, de aanvraag, afkomstig zijn, betekent niet dat die gegevens zonder enige betekenis zijn.

De veronderstelling van UHT dat compensatie al bij onaannemelijkheid van opvang achterwege mag worden gelaten, zoals lijkt te moeten worden afgeleid uit de formulering van UHT in de beschouwing naar aanleiding van het bezwaar acht de Commissie in strijd met artikel 2.1 lid 2 van de Wht. Hiermee hanteert UHT een lichtere toets dan voorgeschreven, die in het nadeel van belanghebbende werkt. De Commissie is van mening dat bij de toetsing of er sprake was van ernstige onregelmatigheden die toerekenbaar zijn aan de betrokkene in het kader van het leerstuk evident geen recht ruimhartigheid passend is en dat enkel onaannemelijkheid van opvang onvoldoende is om te spreken van evident geen recht.

Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT onvoldoende gemotiveerd dat sprake was van evident geen recht op KOT.

Tegen deze achtergrond bezien is de Commissie van mening dat aannemelijk is dat belanghebbende in 2012 en 2013 kinderopvang heeft afgenomen, waarmee zij recht had op KOT. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en aan belanghebbende een compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen voor deze jaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2012 en 2013;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter