Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16840

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 2 oktober 2024 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 17 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.947,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • UHT heeft bij besluit van 16 november 2022 belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.453 over de toeslagjaren 2007 en 2012. Belanghebbende ontving op grond van de Catshuisregeling nog een aanvulling tot € 30.000 van € 547. Daarnaast ontving belanghebbende op 21 november 2022 een besluit tegemoetkoming O/GS. UHT betaalde belanghebbende op grond daarvan € 5.483. Belanghebbende ontving in totaal een vergoeding van € 35.483.
  • Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Onderhavige Commissie heeft toen geadviseerd om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. In de beslissing op bezwaar van 28 februari 2025 heeft belanghebbende een aanvullend bedrag toegekend gekregen van € 2.458.
  • Belanghebbende heeft op 21 december 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • Op 27 mei 2024 heeft een medisch adviseur van Sanacare medisch advies uitgebracht.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 september 2024 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.947.
  • Bij brief van 15 oktober 2024 heeft gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 6 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 17 maart 2026 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend. Met toepassing van het nieuwe schadekader (van 22 december 2025) van de CWS heeft UHT aanleiding gezien voor een aanvullende schadevergoeding van € 3.270. Gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om te reageren op de aanvullende schriftelijke beschouwing.
  • Op 3 april 2026 heeft gemachtigde gereageerd op de aanvullende schriftelijke beschouwing.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Na haar beoordeling of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt CWS haar advies daarover uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarvan begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de toereikende motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet zij dan goed onderbouwen.

In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de hier bedoelde ‘vergewisplicht’. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedingsrecht. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van CWS heeft gevolgd.

De Commissie stelt vast dat het bezwaar zich richt tegen de weigering om de gestelde inkomensschade te vergoeden en tevens tegen de (hoogte) van de toegekende immateriële schadevergoeding. Ter hoorzitting en in de reactie op de aanvullende schriftelijke beschouwing zijn meer schadeposten genoemd.

Het uitgangspunt daarbij is dat het schadekader van de CWS geldt en niet, zoals ter hoorzitting is gesteld, het Uniform Forfaitair Schadekader (hierna: UFS). Het UFS is immers van toepassing in de gevallen wanneer de ouder zich wendt tot de Stichting (Gelijk)Waardig Herstel of er gekozen wordt voor de mogelijkheden binnen Mijn Herstel. Nu belanghebbende de keuze heeft gemaakt het verzoek tot aanvullende schade te leggen bij de CWS, is in beginsel het schadekader van de CWS van toepassing. Wel is het zo dat het meest recente schadekader van de CWS dateert van 22 december 2025 en dat dit is aangepast op verzoek van de Staatssecretaris Herstel en Toeslagen met het doel het schadekader van de CWS in overeenstemming te brengen met het UFS. De Commissie zal daarom zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het UFS, voor zover zij dat opportuun acht.

Verlies van (toekomstig) inkomen

Belanghebbende heeft bij de CWS verzocht om een schadevergoeding (na kapitalisatie) van € 400.000. Belanghebbende heeft gesteld dat zijn inkomen als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag is achteruitgegaan.

De CWS heeft het onvoldoende aannemelijk geacht dat belanghebbende inkomensschade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Zij heeft overwogen dat belanghebbende door zijn ernstige medische klachten arbeidsongeschikt is geraakt en dat deze medische klachten geen verband houden met de problemen met de kinderopvangtoeslag. Ook zonder deze problemen zou de belanghebbende ziek zijn geworden en aangewezen zijn geweest op een WIA-uitkering. De CWS heeft daarom geadviseerd geen bedrag toe te kennen voor inkomensschade.

De medisch adviseur heeft in het medisch advies aangegeven dat er geen relatie lijkt te zijn tussen de medische problematiek van belanghebbende en de problematiek met de kinderopvangtoeslag en daarbij aangegeven dat de (behandelend) psycholoog van belanghebbende geen stress beschrijft als gevolg van financiële problemen, waardoor het niet duidelijk is of de psychische klachten van belanghebbende zijn verergerd door de problemen met de kinderopvangtoeslag. Verder heeft de medisch adviseur aangegeven dat het heel waarschijnlijk is dat belanghebbende soortgelijke cardiale problemen zou hebben gehad als de problemen met de kinderopvangtoeslag zich niet zouden hebben voorgedaan. In hoeverre de psychische problemen die geduid zijn als PTSS beïnvloed zijn door de problemen met de KOT kan niet met enige zekerheid beantwoord worden, omdat dit niet beschreven wordt door de psycholoog, volgens de medisch adviseur.

De Commissie stelt vast dat de medisch adviseur niet met belanghebbende heeft gesproken. Ook is niet gebleken dat de medisch adviseur zijn advies mede heeft gebaseerd op het verslag van het gesprek dat belanghebbende met de CWS heeft gevoerd. Hierdoor kan niet worden geconcludeerd dat alle (medische) informatie voldoende is meegewogen door de medisch adviseur. Reeds om die reden acht de Commissie, in dit geval, het advies van de medisch adviseur onzorgvuldig tot stand gekomen.

Evenmin acht de Commissie het medisch advies voldoende gemotiveerd. Op de vraag hoe waarschijnlijk de medisch adviseur het acht dat de medische problematiek van de ouder is veroorzaakt of verergerd door de problemen met de kinderopvangtoeslag, volstaat de medisch adviseur met het antwoord dat er samenvattend geen relatie lijkt te zijn met de problematiek veroorzaakt door de KOT. Dit is zeer summier en ontbeert een deugdelijke onderbouwing.

De Commissie stelt vast dat in maart 2009 nog geen sprake was van cardiale afwijkingen noch van risicofactoren. De problemen met de KOT begonnen in april 2009. De Belastingdienst/Toeslagen heeft toen de kinderopvangtoeslag over 2007 op nihil gesteld. Vervolgens is de kinderopvangtoeslag over 2012 verminderd. Belanghebbende moest € 21.721 over de toeslagjaren 2007 en 2012 terugbetalen. Daarnaast kreeg belanghebbende te horen dat hij € 20.099 moest terugbetalen over toeslagjaar 2013. Belanghebbende vroeg om een persoonlijke betalingsregeling, maar kreeg deze niet. Dat had tot gevolg dat belanghebbende deze schuld in zijn geheel diende af te lossen.

Belanghebbende betaalde het bedrag in zijn geheel terug in de periode van juni 2014 tot en met maart 2018.

In 2014 begonnen de gezondheidsklachten van belanghebbende. Dus nadat hij werd geconfronteerd met de bedragen die werden teruggevorderd door de Belastingdienst/Toeslagen. In het advies wordt onvoldoende toegelicht waarom de gezondheidsklachten niet (mede) veroorzaakt zouden kunnen zijn door de problematiek met de kinderopvangtoeslag. Het verhaal van belanghebbende is namelijk chronologisch consistent met de handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen.

Gelet op het vorenstaande is de Commissie van oordeel dat UHT zich niet mocht baseren op het medisch advies, omdat het advies om de bovengenoemde redenen gebrekkig is. UHT heeft naar het oordeel van de Commissie in strijd met de toepasselijke vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb gehandeld. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid, en in strijd met artikel 3:46 van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.

De Commissie realiseert zich dat de (juridische) procedure nog veel tijd in beslag kan nemen, voordat deze definitief wordt beslecht, terwijl deze zaak vraagt om een praktische benadering.

Gelet hierop zal de Commissie onderstaand, uit oogpunt van finale geschilbeslechting, wijzen op een pragmatische mogelijkheid om tot een adequate oplossing te komen van deze kwestie.

Als handvatten voor de (bemiddelings)gesprekken kan onder meer acht worden geslagen op het volgende.

Op pagina 3 van het UFS, onder het kopje ‘aannemelijkheid’, wordt het volgende vermeld: Wie bijvoorbeeld na de problemen met de kinderopvangtoeslag in een IVA-uitkering terechtgekomen is, hoeft niet met een medisch rapport aan te tonen dat dit (mede) het gevolg is geweest van de onterechte handelingen van de Belastingdienst destijds.

Onder het kopje ‘ruimhartigheid’ valt het volgende te lezen: Bij het toepassen van de maatstaf van aannemelijkheid wordt mede invulling gegeven aan het basisprincipe van ruimhartigheid. Het causaal verband kan worden aangenomen als de relevante gebeurtenissen in het leven van de ouder of het gezin (waarvoor vergoeding wordt gevraagd) aannemelijk zijn, deze logisch passen in het verhaal van de ouder, en chronologisch consistent zijn met de handelingen (destijds) van de Belastingdienst. In dat geval wordt zonder aanvullende documentatie aangenomen dat de gebeurtenissen (mede) verband hielden met de problemen met de kinderopvangtoeslag. Wel dient het plaatsvinden van de gebeurtenis aannemelijk te worden gemaakt en te passen in de tijdlijn.

Belanghebbende ontvangt een IVA-uitkering. Deze is toegekend nadat de problemen met de kinderopvangtoeslag begonnen. In dat geval kan op grond van het UFS een medisch rapport achterwege blijven. Verder heeft de Commissie vorenstaand overwogen dat het verhaal van belanghebbende chronologisch consistent is met de handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen. In dat geval wordt op grond van het UFS zonder aanvullende documentatie aangenomen dat de gebeurtenissen (mede) verband hielden met de problemen met de kinderopvangtoeslag.

Immateriële schadevergoeding

Nu de Commissie van oordeel is dat het bezwaar tegen het onderdeel verlies van (toekomstig) inkomen gegrond is, dient de immateriële schadevergoeding opnieuw berekend te worden.

Tot slot het volgende.

De Commissie stelt partijen voor om met elkaar in gesprek te treden en overeenstemming te bereiken over een vaststellingovereenkomst waarbij ook de immateriële schadevergoeding wordt betrokken. De Commissie adviseert daarbij ook de extra schadeposten te betrekken die door gemachtigde ter hoorzitting en in de reactie op de aanvullende schriftelijke beschouwing zijn genoemd.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit te herroepen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter