Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16751

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 2 april 2024 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 7 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 2 april 2024 (UHT-DCHO). Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 18.985,- voor de toeslagenperioden 1 juni 2015 tot en met 31 oktober 2015 en 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 en geen compensatie toegekend voor de toeslagenperioden 1 november 2015 tot en met 31 december 2015, 2016, 2017, 2018 en 1 april 2019 tot en met 31 december 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2011 en 2015 tot en met 2019. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast tot de jaren 2015 tot en met 2019 omdat pas per 26 mei 2015 voor het eerst KOT is aangevraagd.
  • UHT heeft bij besluit van 25 oktober 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit beslist zoals hierboven is vermeld.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 mei 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 7 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 21 januari 2026 per brief bevestigd dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft, na daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, op 13 maart 2026 het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft daar op 31 maart 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagenperioden 1 juni 2015 tot en met 31 oktober 2015 en 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagenperioden 1 november 2015 tot en met 31 december 2015, 2016, 2017, 2018 en 1 april 2019 tot en met 31 december 2019 af te wijzen.

Hoor en wederhoor

De Commissie constateert dat de belanghebbende, blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde, over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de Commissie. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De Commissie volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de Commissie, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriften-adviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

De Commissie heeft ook kennisgenomen van de passages uit de aanvulling op het bezwaar van de gemachtigde over de planning van de (zeer vele) bezwaarprocedures bij de Commissie waarin zij als gemachtigde optreedt. De Commissie merkt op dat er overleg met de gemachtigde heeft plaatsgevonden. Op 15 februari 2026 heeft de gemachtigde laten weten dat het bij een welwillende houding van de Commissie ten aanzien van eventuele uitstelverzoeken goed zou moeten komen. Op 19 februari 2026 heeft de Commissie gesteld dat binnen redelijke grenzen incidentele uitstelverzoeken inderdaad niet zonder welwillendheid worden bezien.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van verlagingen of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de memorie van toelichting op het desbetreffende wetsvoorstel is dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Kamerstukken II, 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) eenmaal vooringenomen heeft gehandeld of er eenmaal relevante bijzondere omstandigheden zijn geweest, acht de Commissie daarom in haar algemeenheid onjuist.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Werkelijk geleden schade

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden die zijn vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Geen recht op compensatie

Uit het dossier volgt dat belanghebbende in de toeslagjaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 vooringenomen is behandeld door de B/T. Voor ieder van deze toeslagjaren geldt dat B/T de KOT heeft aangepast zonder belanghebbende voldoende in de gelegenheid te hebben gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken. De verzoeken om informatie zijn niet terug te vinden in de systemen van de B/T.

Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden november en december 2015, de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018 en de maanden april tot en met december 2019.

De kinderopvanginstelling (hierna: KOI) [naam 1], waar de voorschotten KOT voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 voor bedoeld waren, heeft aan de B/T bevestigd dat per 29 oktober 2015 geen opvang meer is afgenomen door belanghebbende. Belanghebbende heeft dit niet bestreden en de Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om hieraan te twijfelen. Hiermee voldeed belanghebbende niet aan het vereiste van artikel 1.5 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) en had zij voor de periode na 29 oktober 2015 geen recht op KOT.

In het toeslagjaar 2019 is het jongste kind van belanghebbende aangemeld bij KOI [naam 2] en heeft belanghebbende hier KOT voor aangevraagd. KOI [naam 2] heeft aan de B/T bevestigd dat per 1 april 2019 geen opvang meer is aangeboden aan belanghebbende omdat de rekeningen niet werden betaald. Belanghebbende heeft dit niet bestreden en de Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om hieraan te twijfelen. Hiermee voldeed belanghebbende niet aan het vereiste van artikel 1.5 van Wko en had zij voor de periode na 1 april 2019 geen recht op KOT.

In uitzonderlijke situaties kan eventueel aanspraak worden gemaakt op de zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden waaruit is gebleken dat belanghebbende in zodanige uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Ook in de aanvulling op het bezwaar is hierover niets gesteld namens belanghebbende. Belanghebbende komt voor deze twee perioden dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Na bestudering van de stukken in het dossier concludeert de Commissie dat in de compensatieberekening door UHT fouten zijn gemaakt maar dat geen van deze fouten in het nadeel is van belanghebbende.

Uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt dat bij component o, de gemiste toeslagrente, en component n, de immateriële schade, fouten zijn gemaakt in de berekening doordat verkeerde data zijn gebruikt. In al deze gevallen zijn de gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende, waardoor zij meer compensatie heeft ontvangen dan waar zij recht op heeft. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de berekening niet aangepast aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.

Nu de door UHT gemaakte fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, adviseert de Commissie om de gemaakte berekening niet aan te passen en om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren

De Commissie komt bij de overige onderdelen van het bezwaar tot het oordeel dat deze, zowel op zichzelf als in onderling verband bezien, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Het bezwaar is naar de opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter