Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16060

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 16 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van 4 juli 2024, met kenmerk UHT-DCHO.

Aan belanghebbende is, op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), een compensatie toegekend van € 74.770 voor de toeslagjaren 2010, 2011 en de periode januari tot en met november 2012. Voor december 2012 en toeslagjaar 2013 bestaat geen recht op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 januari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT) over de jaren 2010 tot en met 2013.
  • De Commissie van Wijzen (CvW) heeft haar beoordeling van dit verzoek op 18 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor de maand december 2012 en de jaren 2013 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor de toeslagjaren 2010 en 2011, en de maanden januari tot en met november van 2012, is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 40.038.
  • Bij het bestreden besluit van 4 juli 2024, kenmerk UHT-DCHO, heeft UHT belanghebbende gecompenseerd met een bedrag van € 74.770 voor de toeslagjaren 2010, 2011 en januari tot en met november 2012. Voor december 2012 en 2013 wordt geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 augustus 2024 tegen het besluit van 4 juli 2024 een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 26 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 22 januari 2026 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), af van het horen van belanghebbende. De termijn voor gemachtigde om aanvullende gronden in te dienen liep van 20 januari 2026 tot en met 24 februari 2026. Deze termijn is ongebruikt verstreken en nadien zijn er ook geen aanvullende gronden meer ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:

  • geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
  • het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
  • beoordeling per jaar
  • forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade
  • aanvullende compensatie van werkelijke schade
  • geen compensatie voor december 2012 en toeslagjaar 2013

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet beschikt over alle benodigde informatie om het bestreden besluit te kunnen controleren. Zij heeft namelijk geen beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Volgens belanghebbende kan zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT heeft op 22 april 2025 het ouderdossier aan de gemachtigde gestuurd. Op 13 november 2025 heeft de Commissie de schriftelijke beschouwing van 26 mei 2025 en het aangevulde ouderdossier aan de gemachtigde toegezonden. Daarbij is het dossier aangevuld met de producties 2700001 tot en met 2700006.

De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dit kan anders zijn indien de belanghebbende een concreet aanknopingspunt aandraagt waaruit blijkt dat het persoonlijk dossier of aanvullende stukken nog moeten worden afgewacht. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De enkele mogelijkheid dat – bij onbekendheid met de stukken in dat dossier – nog relevante informatie ontbreekt, is daarvoor onvoldoende.

Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat niet duidelijk is hoe tot de beoordeling is gekomen.

De Commissie heeft deze bezwaargrond opgevat als een beroep op strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van zowel de motivering van het bestreden besluit als de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de beschikking op uitvoerige en overtuigende wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwing van 26 mei 2025 en de bijlage met de compensatieberekening heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van het LIC-overzicht, het SAS-rapport en overige relevante stukken.

Daarbij heeft UHT rekening gehouden met het persoonlijk verhaal van belanghebbende en het oordeel van de CvW, voordat het bestreden besluit werd genomen. Alle hiervoor genoemde documenten maken deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende acht het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Volgens haar doet een selectie van jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling dat een toeslagouder gedupeerd is automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie dient daarom per toeslagjaar afzonderlijk te worden beoordeeld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid van het stelsel en of de werkwijze van UHT in dat kader begrijpelijk is.

De enkele, niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde stelling dat ook in andere toeslagjaren sprake moet zijn geweest van vooringenomen handelen, enkel omdat dat in een bepaald jaar is vastgesteld, acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.

Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Forfaitaire bedragen materiële en immateriële schade

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. De Commissie overweegt dat de wetgever in het kader van de integrale beoordeling heeft gekozen voor een systeem van vaste (“forfaitaire”) vergoedingen.

De Commissie heeft in de stellingen van belanghebbende geen aanleiding gevonden om te oordelen dat in dit geval het in de Wht neergelegde compensatiestelsel buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852).

Daarbij acht de Commissie van belang dat de Wht tevens voorziet in een mogelijkheid tot vergoeding van de werkelijke schade via een procedure bij de Commissie Werkelijke Schade. Daarnaast is in alle fasen van de besluitvorming voorzien in rechtsbescherming.

Aanvullende compensatie van werkelijke schade

Deze bezwaarschriftprocedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogenoemde forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het verkrijgen van een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade kan gebruik worden gemaakt van de daarvoor bestaande procedure bij de Commissie Werkelijke Schade. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Schadeherstel Toeslagen.

Geen compensatie voor december 2012 en toeslagjaar 2013

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt een ouder in aanmerking voor compensatie indien aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Op grond van artikel 2.1, lid 2, van de Wht blijft toekenning van compensatie achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer sprake is van evident geen recht op KOT.

Volgens UHT deed dit zich voor in december 2012 en in het toeslagjaar 2013, omdat in deze perioden geen gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Bovendien verbleef belanghebbende in 2013 niet op hetzelfde adres als de toeslagpartner en de kinderen. Belanghebbende heeft de juistheid van dit standpunt niet bestreden.

Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van compensatie op grond van hardheid. De Commissie constateert echter dat onvoldoende is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden verkeerde. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.

Belanghebbende komt voor december 2012 en 2013 dan ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Met betrekking tot de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure geldt dat, nu het bezwaar ongegrond is, belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van proceskosten.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter