Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16261

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 18 december 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: niet gehouden

Overdracht advies aan UHT: 11 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 18 december 2023.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2010. Op 16 augustus 2021 heeft belanghebbende het verzoek beperkt tot het jaar 2010.
  • UHT heeft bij besluit van 11 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 januari 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft aangegeven dat belanghebbende ervan afziet te worden gehoord op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 2 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Geen persoonlijk dossier/onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.

De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV, O/GS en discriminatie
Belanghebbende stelt dat de conclusies van UHT dat hij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie en dat niet is gebleken van discriminatie, niet worden onderbouwd met stukken.

FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. De Commissie adviseert UHT - die zelf niet over toereikende bevoegdheden beschikt – om hier de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verschaffen om belanghebbende op passende wijze te informeren over hoe en waar hij die informatie wel kan krijgen.

O/GS
UHT heeft in de (aanvullende) schriftelijke beschouwing toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is de stelling dat er sprake is geweest van een O/GS kwalificatie niet aannemelijk geworden.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Discriminatie
Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Omissies / niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen.
Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstel-maatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belang-hebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010
Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor toeslagjaar 2010. Volgens belanghebbende kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de uitvraagbrief van 13 november 2012 daadwerkelijk is verzonden en is evenmin gebleken van een tweede uitvraag. Gelet hierop is sprake van vooringenomen handelen.

UHT heeft in de aanvullende beschouwing een uitgebreide toelichting gegeven op toeslagjaar 2010. Uit het RKT-bestand (productie 1210009) volgt dat belanghebbende in juni 2010 KOT heeft aangevraagd voor de periode van maart tot en met december 2010. Dit heeft geleid tot een voorschotbeschikking van
19 juni 2010 voor een bedrag van € 9.518,- (productie 1210001). Vervolgens is de KOT met een beschikking van 27 oktober 2010 neerwaarts bijgesteld naar
€ 7.614,- in verband met een wijziging van de einddatum van de kinderopvang naar 31 oktober 2010 (productie 1210002). UHT stelt zich, mede in verband met het ontbreken van een melding in het RKT-bestand waaruit een stopzetting door B/T blijkt, op het standpunt dat de neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden op basis van informatie die belanghebbende zelf heeft aangeleverd. Ook uit het door belanghebbende op 8 september 2011 ingezonden antwoordformulier met jaaropgaven volgt dat na 31 oktober 2010 geen sprake meer is geweest van opvang, waarna met de beschikking van 11 april 2013 de KOT is vastgesteld op een bedrag van € 7.228,- (productie 1210006). Belanghebbende heeft nadien geen gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat na 31 oktober 2010 nog opvang is afgenomen. Ook heeft belanghebbende na de stopzetting niet opnieuw KOT aangevraagd.

Met een beschikking van 16 april 2013 is de KOT definitief vastgesteld op een bedrag van € 7.386,- (productie 1210007). De verhoging KOT is het gevolg van een lager gezamenlijk toetsingsinkomen.

De Commissie kan zich, gelet op beschreven gang van zaken, vinden in het standpunt van UHT dat er geen aanwijzingen zijn dat bij de stopzetting lopende het jaar 2010 sprake is geweest van vooringenomen handelen van B/T.
De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Overige bezwaren
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter