BAC 2025-15649
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 29 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 8 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de (toeslag)jaren 2006, 2007, 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 31 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2010. In overleg met ouder is de herbeoordeling uitgebreid met toeslagjaar 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 10 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen heeft op 18 september 2023 aan UHT geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2, lid 1, Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij voorlopige beschikking van 31 oktober 2023, met kenmerk UHT-VCH A, belanghebbende geïnformeerd dat zij geen recht heeft op (een vergoeding op grond van) één van de drie herstelregelingen.
- UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 28 november 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding over de toeslagjaren 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 december 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 16 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Daarbij heeft UHT, op verzoek van belanghebbende, ook de toeslagjaren 2006 en 2007 herbeoordeeld. UHT heeft geconstateerd dat er ook over deze jaren geen recht op compensatie of een tegemoetkoming bestaat.
- Op 29 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op 30 maart 2026 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motivering/persoonlijk dossier/equality of arms
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat zij niet beschikt over haar persoonlijk dossier. Hierdoor kan zij de juistheid van de beschikking niet controleren.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn op 7 augustus 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Nu UHT voldaan heeft aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en belanghebbende de gelegenheid heeft gekregen haar standpunt uiteen te zetten, is het recht op een eerlijk proces niet geschonden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Aanvraag KOT 2005 en de maanden januari tot en met september 2006
Belanghebbende stelt dat UHT niet heeft aangetoond dat er geen KOT is aangevraagd voor 2005 en de maanden januari tot en met september van 2006. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing toegelicht dat een aanvraag KOT voor genoemde perioden niet (meer) te vinden is en dat uit de overige gegevens valt af te leiden dat er eerst per oktober 2006 sprake is geweest van kinderopvang.
De Commissie overweegt als volgt. Het RKT-bestand, vermeld op pagina 217 van het dossier, kan als aanknopingspunt voor de startdatum van de KOT dienen. Hieruit blijkt dat per de 10e maand van 2006 KOT is toegekend. Belanghebbende heeft niet gesteld, noch is gebleken, dat er vóór die maand al sprake is geweest van gekwalificeerde kinderopvang. De Commissie adviseert dan ook het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling Toeslagjaren 2006 (oktober tot en met december), 2007, 2009 en 2010 Belanghebbende stelt dat het onduidelijk is wat er in de toeslagjaren 2006 en 2007 is gebeurd. UHT heeft tijdens de hoorzitting en in haar aanvullende beschouwing een nadere toelichting gegeven op deze jaren en op toeslagjaar 2010.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de (toeslag)jaren 2006, 2007, 2010 en 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de betreffende jaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is naar aanleiding van reguliere wijzigingen opnieuw berekend.
Uit het overzicht van de beschikkingen (zie pagina 78 van het dossier, in combinatie met het RKT bestand, pagina 217 van het dossier) blijkt dat over 2006 één neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden. Dit was het gevolg van een wijziging in opvanguren.
Belanghebbende heeft die wijziging niet betwist.
In 2007 is de KOT drie keer neerwaarts gecorrigeerd. De eerste neerwaartse correctie was het gevolg van een stopzetting van de KOT door belanghebbende per 1 juli 2007. Nadat de datum van de stopzetting door belanghebbende was gewijzigd van 1 juli 2007 naar 20 juni 2007 is de KOT nogmaals naar beneden bijgesteld. De derde neerwaartse correctie was het gevolg van een hoger toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft de stopzetting, de wijziging daarvan en de hoogte van het toetsingsinkomen niet betwist.
De Commissie is het met belanghebbende eens dat het LIC-overzicht over 2007 niet duidelijk is. Wel valt uit de rechterkolom af te leiden wat er uiteindelijk is uitbetaald en teruggevorderd bij belanghebbende. In combinatie met het overzicht van de feitelijke beschikkingen, op pagina 78 van het dossier, de stopzetting, pagina 223 van het dossier en de wijziging van de stopzetting, pagina 225 van het dossier, valt de feitelijke gang van zaken wel af te leiden. De wijziging in het toetsingsinkomen is door UHT niet nader onderbouwd. Nu de neerwaartse correctie naar aanleiding hiervan een bedrag van € 30 betrof en belanghebbende de wijziging in het toetsingsinkomen bovendien niet betwist heeft, laat de Commissie dit verder onbesproken.
In 2010 is de KOT op nihil gesteld omdat belanghebbende op het antwoordformulier had aangegeven dat zij in 2010 geen gebruik van kinderopvang had gemaakt. Voor 2011 was de KOT automatisch gecontinueerd. Belanghebbende heeft naar aanleiding daarvan op 27 december 2010 de KOT per 1 januari 2011 stopgezet. Belanghebbende heeft dit niet betwist. De KOT is als gevolg van de stopzetting op nihil gesteld.
Alle bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden door de verrekeningen van de terugvordering over de jaren 2010 en 2011. De B/T heeft bij deze verrekeningen geen rekening gehouden met de beslagvrije voet.
De Commissie overweegt dat uit het betaal- en verrekenoverzicht blijkt dat er over toeslagjaar 2010 een bedrag van € 301 is verrekend en dat over 2011 geen verrekening heeft plaatsgevonden. De verrekeningen zijn onderdeel van de uitvoering die over jaar 2010 aan de KOT is gegeven. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Hieruit volgt dat de Commissie niet toekomt aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter