Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16842

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 mei 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 19 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 7 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het Bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 t/m 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 juni 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 t/m 2012. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling beperkt tot de jaren 2010 t/m 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 juni 2012 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, en dat de Integrale Beoordeling is gang wordt gezet.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 t/m 2012.
  • Gemachtigde heeft op 10 maart 2025 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 19 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 19 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft op 19 maart 2026 de LIC-overzichten over de desbetreffende toeslagjaren aan gemachtigde nagezonden. Gemachtigde heeft op 26 maart 2026 gereageerd dat belanghebbende geen verdere opmerkingen heeft ten aanzien van de LIC-overzichten.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt in de eerste plaats dat UHT bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Daaromtrent overweegt de Commissie als volgt.

Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Onvolledig dossier / fair play beginsel

Belanghebbende voert aan dat zij niet de beschikking heeft over haar volledige bezwaardossier. Belanghebbende betoogt dat daarom sprake is van schending van het fair play beginsel. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, volgend op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 13 augustus 2025 aan gemachtigde toegestuurd. Op 19 maart 2026 zijn de volgens belanghebbende ontbrekende LIC-overzichten opnieuw aan gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende genoegzaam kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.

Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. De Commissie adviseert dat in voldoende mate invulling is gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Omissies/niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende heeft UHT de juistheid van de hoogte van de KOT, zoals indertijd definitief vastgesteld, ten onrechte niet beoordeeld. De Commissie overweegt dat de Wht uitsluitend is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010

De Commissie constateert dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet is gebleken van neerwaartse correcties in de KOT over het toeslagjaar 2010. Belanghebbende heeft ook niet gesteld dat zij over 2010 KOT heeft moeten terugbetalen. Het is dus niet aannemelijk dat belanghebbende over deze toeslagjaren schade heeft geleden ten gevolge van het handelen van de Belastingdienst /Toeslagen (hierna B/T), die op grond van de Wht tot compensatie kan leiden. Daarom komt belanghebbende over 2010 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Toeslagjaar 2011

Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid van het stelsel vanwege fraude door derden.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel hardheid van het stelsel. Over 2011 hebben twee verlagingen van het voorschot plaatsgevonden. De eerste verlaging op 1 maart 2011 was het gevolg van een door belanghebbende zelf doorgegeven verlaging van het aantal opvanguren en van het opvangtarief. Het XML bestand betreffende die wijziging bevindt zich in het dossier (pagina 153). Vervolgens heeft op 28 januari 2014 een tweede verlaging van € 7.390 naar € 7.347 plaatsgevonden op basis van gegevens uit de KOI-viewer. B/T mocht van de juistheid van die gegevens uitgaan. De reden van de terugvorderingen in KOT over dit toeslagjaar was derhalve gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze aanpassingen geven in beginsel geen recht op hardheidscompensatie.

Ten aanzien van de door belanghebbende betoogde hardheid is voorts relevant dat uit het dossier geen aanknopingspunten volgen die wijzen op fraude door derden. Uit de LIC-overzichten in combinatie met de gegevens uit de KOI-viewer volgt dat de door belanghebbende verkregen KOT is gebruikt voor het betalen van de kinderopvang en daarmee volledig aan belanghebbende ten goede is gekomen.

De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid van het stelsel. Uit het dossier blijkt dat er over het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van twee neerwaartse wijzigingen. Deze wijzigingen waren het gevolg van stopzettingen van de KOT per 1 mei 2012 en per 31 juli 2012. Belanghebbende heeft betwist dat zij de stopzettingen zelf heeft doorgevoerd.

In het dossier bevinden zich TVS-meldingen van de desbetreffende stopzettingen (bladzijde 344 en bladzijde 346). Deze stopzettingen zijn doorgevoerd met gebruikmaking van het Sofinummer van belanghebbende. Daarom acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet.

De Commissie onderschrijft daarom het standpunt van UHT dat de verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2012 was gelegen in reguliere wijzigingen die berustten op mededelingen van belanghebbende. De Commissie ziet voorts geen aanknopingspunten die maken dat belanghebbende over het toeslagjaar 2012 aanspraak heeft op compensatie op grond van hardheid. De Commissie refereert in dit verband aan hetgeen zij ten aanzien van de door belanghebbende gestelde fraude door derden ook heeft overwogen ten aanzien van het toeslagjaar 2011.

Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Kosten rechtsbijstand

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beschikking niet behoeft de worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter