Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12846

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH

Hoorzitting: 24 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 7 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 17 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.149 voor toeslagjaar 2007 en geen compensatie toegekend voor toeslagjaar 2008.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2004 en 2005. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit verzoek aangepast naar de jaren 2007 en 2008.
  • UHT heeft bij besluit van 21 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 januari 2023 aan UHT toegezonden. De CvW heeft geadviseerd dat in het jaar 2008 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor het toeslagjaar 2007 is de compensatieregeling wel van toepassing.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 8.138. Op grond van de Catshuisregeling is dit bedrag aangevuld tot € 30.000.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 17 maart 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende medegedeeld dat het compensatiebedrag voor het toeslagjaar 2007 wordt vastgesteld op € 8.149. Belanghebbende heeft voor het toeslagjaar 2008 geen recht op compensatie.
  • De voormalig gemachtigde van belanghebbende, mr. A. Yüksel, heeft bij brief van 28 april 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 10 december 2024 heeft de huidige gemachtigde het bezwaar nader aangevuld.
  • UHT heeft op 9 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 24 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Op de zaak betrekking hebbende stukken;
  • Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
  • Het niet beoordelen van de jaren 2005 en 2006.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt deze stelling van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De hersteloperatie is bedoeld om belanghebbenden financieel te compenseren voor het leed dat hun is aangedaan en om te proberen het vertrouwen in de overheid te herstellen. In de ogen van de Commissie worden deze belangen het beste gediend als een belanghebbende zo snel mogelijk inzicht krijgt in de informatie over zijn of haar situatie, in de vorm van een ouderdossier. Daarom staat de Commissie positief tegenover het ouderdossier en de spoedige verstrekking daarvan aan belanghebbende. Dat betekent echter niet dat daarom nu geconcludeerd moet worden dat het verstrekte bezwaardossier onvolledig is. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit op uitvoerige en overtuigende wijze heeft gemotiveerd en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd. Met de beschouwing van 9 juli 2025 en de bijlage bij de compensatieberekening heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van het LIC- en SAS-overzicht en overige relevante stukken. Deze documenten maken ook deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Het niet beoordelen van de jaren 2005 en 2006

Belanghebbende voert aan dat de toeslagjaren 2005 en 2006 niet in de herbeoordeling zijn betrokken. Deze jaren zijn dan ook niet aan de CvW voorgelegd.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling, zoals hier aan de orde, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager KOT heeft aangevraagd, althans waarvoor de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking heeft afgegeven, tenzij de aanvrager het verzoek uitdrukkelijk heeft beperkt. Of sprake is van een dergelijke beperking, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, beoordeeld in samenhang, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende eerst alleen betrekking had op de jaren 2005 en 2006. Na een gesprek met belanghebbende heeft de persoonlijk zaakbehandelaar het verzoek aangepast tot de jaren 2007 en 2008. In de beschouwing van UHT wordt toegelicht dat over de jaren 2005 en 2006 geen KOT is aangevraagd, toegekend, gekregen of ontvangen, maar over de jaren 2007 en 2008 wel. Dit is dan ook de reden geweest dat de persoonlijk zaakbehandelaar het verzoek heeft aangepast. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten om ook deze jaren in de herbeoordeling te betrekken of dat de bestreden beschikking om die reden zou moeten worden herroepen.

Nu het oorspronkelijke verzoek en het bestreden besluit de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen aanleiding om de jaren 2005 en 2006 alsnog in haar advisering te betrekken.

Deze bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.

De Commissie ziet zich verder gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2007 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2008 af te wijzen.

De vastgestelde hoogte van de KOT vanaf 1 augustus 2007

Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende benadrukt dat bij de aanvraag voor KOT geen rekening is gehouden met haar zoon [naam]. Belanghebbende stelt dan ook dat zij in het toeslagjaar 2007 gebruikmaakte van kinderopvang voor twee kinderen en niet voor slechts één kind.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Met de toekenningsbeschikking van 15 oktober 2007 is aan belanghebbende KOT toegekend voor [naam] vanaf 1 augustus 2007. Dat B/T daarbij is uitgegaan van één kind blijkt uit de brief van 26 juni 2009, waarin slechts wordt gesproken over [naam]. Belanghebbende heeft tegen de toekenningsbeschikking van 15 oktober 2007 geen bezwaar aangetekend. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende, als zij het hiermee niet eens was geweest, daartegen bezwaar zou hebben gemaakt. Het recht op KOT had belanghebbende dan aannemelijk kunnen maken door onder andere de volgende gegevens over te leggen: jaaropgaven, bankafschriften, facturen en een opvangovereenkomst.

De Commissie is dan ook van oordeel dat het alsnog ter discussie stellen van de toekenningsbeschikking van 15 oktober 2007 buiten de reikwijdte van de Wht valt. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Toekenning van compensatie voor toeslagjaar 2007

De Commissie stelt vast dat UHT de compensatieberekening ambtshalve heeft beoordeeld en heeft geconcludeerd dat de rentevergoeding voor gemiste KOT te laag is vastgesteld. Deze vergoeding dient niet te worden vastgesteld op € 1.833, maar op € 2.040. De Commissie kan zich hiermee verenigen. Het bezwaar wordt in zoverre gegrond verklaard.

Op grond van artikel 2.2 van de Wht bestaat de compensatie uit verschillende componenten, waaronder een vergoeding voor immateriële schade en een bedrag ter compensatie van de gemiste of terugbetaalde KOT. Artikel 2.3, vierde lid, van de Wht bepaalt dat de vergoeding voor immateriële schade niet hoger kan zijn dan de som van de overige compensatiecomponenten. Dit betekent dat de vergoeding voor immateriële schade wordt begrensd door het bedrag dat wordt toegekend voor de gemiste of terugbetaalde KOT.

De Commissie stelt vast dat deze wettelijke begrenzing dwingend van aard is. Dit brengt mee dat de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade niet hoger kan worden vastgesteld dan het bedrag dat aan compensatie voor de gemiste of terugbetaalde KOT wordt toegekend. UHT heeft in de beschouwing van 9 juli 2025 en de “Bijlage compensatieberekening” echter opgenomen dat de vergoeding voor immateriële schade dient door te lopen tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. Tijdens de hoorzitting heeft UHT toegelicht dat de vergoeding voor immateriële schade niet hoger mag zijn dan het genoemde bedrag onder component e van de compensatieberekening. De Commissie overweegt hierover dat UHT niet is gehouden aan een onjuiste uitleg van de Wht, als deze uitleg nog tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase wordt gecorrigeerd.

In aansluiting op het voorgaande zal UHT de aanvullende vergoeding opnieuw moeten berekenen.

Reguliere bijstelling in toeslagjaar 2008

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2008 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2008 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.

Op 28 december 2007 heeft belanghebbende, althans is namens belanghebbende, aan B/T doorgegeven dat de KOT per 1 januari 2008 moest worden stopgezet. Met de voorschotbeschikking van 8 januari 2008 is hieraan gevolg gegeven. Vervolgens is met de beschikking van 4 april 2011 de KOT definitief op nihil vastgesteld. Belanghebbende stelt dat deze stopzetting niet op haar initiatief is doorgevoerd. Bovendien waren haar kinderen kort na deze stopzetting niet meer welkom op de kinderopvang en BSO, terwijl zij nog wel behoefte hadden aan opvang. Hoewel de Commissie zich kan voorstellen dat het niet logisch voelt dat de KOT op het initiatief van belanghebbende zou zijn stopgezet, merkt de Commissie met betrekking tot deze twee beschikkingen op dat belanghebbende geen bezwaar heeft aangetekend. Als de stopzetting niet door belanghebbende, dan wel namens haar, is gedaan, had het voor de hand gelegen dat zij daartegen tijdig actie zou hebben ondernomen. Bovendien blijkt uit het LIC-overzicht van 2008 dat B/T op 17 december 2007 nog een bedrag van € 764 aan KOT op het rekeningnummer van belanghebbende heeft overgemaakt en nadien niet meer. Door het uitblijven van verdere betalingen had belanghebbende kunnen begrijpen dat de KOT was stopgezet en daarop actie kunnen ondernemen. Uit de onderliggende stukken blijkt echter niet dat dit is gebeurd. Tot slot meent de Commissie dat de stopzetting ook geen aanleiding had moeten zijn voor B/T om nadere vragen te stellen aan belanghebbende. Het feit dat haar dochter op dat moment nog niet de leeftijd van vier jaren had bereikt, is onvoldoende om te concluderen dat aanvullende vragen gewenst waren. Er kunnen tal van veelvoorkomende redenen zijn waarom iemand de KOT voortijdig stopzet, waardoor B/T naar het oordeel van de Commissie er niet op bedacht had hoeven te zijn dat de stopzetting niet gewenst was.

De Commissie stelt gelet op het vorenstaande vast, dat de stopzetting van de KOT per 1 januari 2008, gevolgd door de besluitvorming van B/T, een reguliere bijstelling van de KOT betreft. Deze bijstelling is in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende tot een ander oordeel te komen.

Daarnaast is niet gebleken van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Volgens artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 9 december 2020,ECLI:NL:CRVB:2020:3140,JB2021/25), is herroeping in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb aan de orde als het primaire besluit wordt gewijzigd ten aanzien van het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en rekening houdend met het systeem van de Wht, van oordeel dat het gaat om een wijziging van het rechtsgevolg. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 17 maart 2023 gedeeltelijk gegrond te verklaren;
  • in de compensatieberekening de rentevergoeding voor gemiste KOT vast te stellen op € 2.040. De aanvullende vergoeding opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter