Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16375

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 februari 2024 (UHT-DCHO)

Overdracht advies aan UHT: 3 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen besluit compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 34.621 voor de jaren 2012 tot en met 2015 en de maanden januari tot en met maart 2016. Voor de maanden april tot en met december 2016 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 tot en met 2016. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid met de jaren 2012 en 2013.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 34.621.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 februari 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 16 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 24 februari 2026 meegedeeld dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van het recht om gehoord te worden en verzocht om een schriftelijke ronde voor het aanvullen van het bezwaar toe te staan.
  • De Commissie heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 31 maart 2026 aanvullende gronden in te dienen. Belanghebbende heeft geen (tijdig) gebruik van deze mogelijkheid gemaakt, zodat de Commissie overgaat tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en op goede gronden is gekomen tot afwijzing van het verzoek compensatie toe te kennen over de maanden april tot en met december 2016 .

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Voor zover er sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreken, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende stelt dat de jaren in de beoordeling niet op zichzelf staan. Als in een jaar ten onrechte KOT is teruggevorderd, zijn de gevolgen ook in de jaren ervoor en erna gevoeld. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan welhardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.

Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond. De Commissie adviseert UHT om overeenkomstig te beslissen.

Omissies/niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende heeft UHT de juistheid van de hoogte van de KOT, zoals indertijd definitief vastgesteld, ten onrechte niet beoordeeld. De Commissie overweegt dat de Wht uitsluitend is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij ten onrechte geen compensatie of tegemoetkoming heeft ontvangen over de maanden april tot en met december 2016. De Commissie overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich ten aanzien van de maanden april tot en met december van het toeslagjaar 2016 voor nu belanghebbende en het kind waarvoor de KOT is aangevraagd niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven. UHT verwijst naar bladzijde 673 tot en met 675 van het dossier. Belanghebbende heeft niet bestreden dat zij in de onderhavige periode niet op hetzelfde adres was ingeschreven als het kind waarvoor KOT was aangevraagd. Dat betekent dat belanghebbende evident geen recht op KOT had.

In afdeling 3.1.12 van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek is opgenomen dat in uitzonderlijke situaties sprake kan zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.

Belanghebbende komt voor de maanden april tot en met december van het jaar 2016 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De compensatieberekening over de jaren 2012 tot en met 2016

UHT heeft het bedrag aan compensatie over de toeslagjaren 2012 tot en met 2016 opnieuw berekend en stelt zich op het standpunt dat de rentevergoeding over gemiste KOT over de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 onjuist maar in het voordeel van belanghebbende verkeerd is berekend. De Commissie is met UHT van oordeel dat het bestreden besluit met inachtneming van het verbod van reformatio in peius – dat bepaald dat een belanghebbende niet slechter mag worden van het eigen bezwaar – in stand kan blijven.

Uit wat van de zijde van belanghebbende is aangevoerd is de Commissie niet gebleken van (overige) onjuistheden die tot een hoger compensatiebedrag moeten leiden. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Werkelijke schade

Belanghebbende voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend. De Commissie overweegt als volgt.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.

Kosten rechtsbijstand

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit niet behoeft te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek

om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter