Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16797

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 12 september 2022 (UHT DC I; UHT-DC I A; UHT-DH5 A) en 8 december 2022 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 3 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de betreden beschikkingen).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) een compensatie toegekend van € 64.500 voor de jaren 2009, 2010 (januari tot en met oktober), 2011 (mei tot en met december) en 2012 (juli tot en met augustus) en geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2010 (november en december), 2011 (januari tot en met april), 2012 (januari tot en met juni en september tot en met december), 2013 en 2015. Ook is er een bedrag van € 4.234 toegekend voor een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2012, 2013 en 2015.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 12 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In het oudergesprek heeft belanghebbende aangegeven dat het verzoek ziet op de jaren 2006 tot en met 2013 en 2015.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 20 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2010 (november en december), 2011 (januari tot en met april), 2012 (januari tot en met juni en september tot en met december), 2013 en 2015.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 12 september 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie van € 64.500 toegekend voor de jaren 2009, 2010 (januari tot en met oktober), 2011 (mei tot en met december) en 2012 (juli en augustus).
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 12 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2010 (november en december), 2011 (januari tot en met april), 2012 (januari tot en met juni en september tot en met december), 2013 en 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 december 2022 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende compensatie van € 4.234 toegekend vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie voor de jaren 2010, 2012, 2013 en 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 oktober 2023 tegen de definitieve beschikkingen van 12 september 2022 een bezwaarschrift ingediend. De Commissie gaat er, gelet op de bezwaargronden, vanuit dat het bezwaar zich tevens richt op de beschikking van 8 december 2022.
  • UHT heeft op 12 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 15 december 2025 heeft gemachtigde per e-mail aan de Commissie laten weten dat er wordt afgezien van een hoorzitting en dat advisering in deze zaak mag worden afgedaan op stukken.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 december 2025 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 4 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009, 2010 (januari tot en met oktober), 2011 (mei tot en met december) en 2012 (juli tot en met augustus) op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2010 (november en december), 2011 (januari tot en met april), 2012 (januari tot en met juni en september tot en met december), 2013 en 2015 af te wijzen.

De Commissie merkt volledigheidshalve op dat geen (apart) bezwaar is ingediend tegen de beschikking van 8 december 2022 (met kenmerk UHT-O OGS B). Uit de gronden van het bezwaar tegen de beschikkingen van 12 september 2022 blijkt echter dat deze zich mede richten tegen het besluit dat ziet op O/GS. De Commissie gaat er hierom vanuit dat het bezwaar van belanghebbende mede gericht is tegen de beschikking van 8 december 2022.

Belang van hoor en wederhoor

De Commissie constateert dat belanghebbende blijkens het gestelde op de eerste bladzijden van de aanvullende reactie van de gemachtigde over het nut en het belang van een hoorzitting een opvatting heeft die afwijkt van de breed gedragen zienswijze van de BAC. Dit advies is niet de juiste plaats voor een inhoudelijke discussie over het verschil van opvatting. De BAC volstaat met een verwijzing naar hetgeen over het beginsel van hoor en wederhoor, zoals toegepast via de weg van een hoorzitting bij de BAC, als hoeksteen van rechtsbescherming is opgetekend in ‘De waarde van hoor en wederhoor’, Jaarverslag 2025 van de Bezwaarschriftenadviescommissie Hersteloperatie Toeslagen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheid en motivering

Belanghebbende betwist de zorgvuldigheid en de motivering van de bestreden besluiten. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in waarom UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende – onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht.

Toeslagjaar 2005

Belanghebbende verzoekt om een beoordeling van het toeslagjaar 2005 en betoogt dat er in het jaar 2005 sprake is geweest van KOT.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de B/T een besluit daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2006 tot en met 2013 en 2015. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft het toeslagjaar 2005 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden het bestreden besluit moet worden herroepen.

De Commissie heeft hierover voor de volledigheid nadere informatie opgevraagd bij UHT. UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 4 februari 2026 vermeld dat er geen informatie beschikbaar is over toeslagjaar 2005, zodat kan worden vastgesteld dat er geen KOT-aanvraag is over 2005. De Commissie merkt wel op dat de bijlage die UHT heeft meegestuurd met de aanvullende beschouwing niet laat zien dat er op toeslagjaar 2005 is gezocht. De Commissie adviseert UHT om met de beslissing op bezwaar alsnog een volledige uitdraai aan belanghebbende te verstrekken en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

UHT-DC I

Compensatieberekening

Belanghebbende is het niet eens met de compensatieberekening. De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 12 mei 2025. Uitkomst daarvan is dat de compensatieberekening zal worden aangepast en opnieuw zal worden berekend op verschillende onderdelen. In de aanvullende beschouwing van 4 februari 2026 heeft UHT daarnaast toegelicht waarom het dwangbevel voor toeslagjaar 2011 niet is meegenomen in de compensatieberekening. De Commissie acht de berekening en de toelichting van UHT daarop navolgbaar en begrijpelijk. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en in haar beslissing op bezwaar de bedragen aan te passen overeenkomstig hetgeen zij daarover opmerkt in haar beschouwing.

UHT-DC-I A en UHT-DH5 A

Afgewezen toeslagjaren: 2006 t/m 2008 en 2015

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over genoemde toeslagjaren is verlaagd naar aanleiding van reguliere wijzigingen. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was voor de jaren 2006 tot en met 2008 evenmin sprake van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen recht is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Evident geen recht: 2010 (november, december), 2011 (januari tot en met april), 2012 (januari tot en met juni en september tot en met december) en 2013

Voor de jaren 2010 tot en met 2013 heeft UHT geoordeeld dat er wel sprake is geweest van vooringenomenheid, maar dat er tegelijkertijd voor een aantal maanden dan wel het gehele jaar evident geen recht op KOT bestond. De Commissie kan het oordeel van UHT hierover onderschrijven. Het recht op KOT is vastgesteld op basis van facturen, jaaropgaven, de KOI-viewer en het ouderverhaal. De Commissie merkt hierbij op dat UHT de jaaropgave voor toeslagjaar 2012 met haar aanvullende beschouwing van 4 februari 2026 heeft meegestuurd.

De Commissie heeft geen aanwijzingen in het dossier kunnen vinden om hierover anders te adviseren. Ten aanzien van dit punt adviseert de Commissie UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

UHT-O OGS B

Stukken O/GS

Belanghebbende verzoekt om verstrekking van alle O/GS-stukken. Zoals hiervoor reeds opgemerkt acht de Commissie het bezwaar van belanghebbende mede te zijn gericht tegen de beschikking van 8 december 2022 (met kenmerk UHT-O OGS B). De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met de conclusie dat in het geval van belanghebbende sprake is van O/GS voor de toeslagjaren 2009, 2010, 2012, 2013 en 2015. Voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2011 is er geen O/GS vastgesteld. De onderliggende stukken hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat er wel of geen sprake is van O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545 en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 708, nr. 68). In zoverre slaagt de bezwaargrond.

Aan UHT wordt geadviseerd voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende desgewenst de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Overige gronden

FSV

Belanghebbende stelt dat uit het dossier volgt dat zij stond opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) en verzoekt om het ‘Dagboek FSV’ en alle overige stukken betreffende dit onderwerp. De Commissie overweegt dat UHT de weergave van de FSV-registratie heeft opgenomen in het dossier. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de opname in de FSV-lijst in het geval van belanghebbende heeft geleid tot onderzoek naar fouten of tekortkomingen van belanghebbende in relatie tot de KOT. Het FSV-systeem is daarnaast een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. Deze informatie is naar het oordeel van de Commissie ook niet relevant om tot een weloverwogen advies te komen.

Discriminatie

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit het dossier en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.

Samenloopteam

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2006 en 2010 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

Verder stelt de Commissie vast dat de herzieningstermijn van vijf jaar (Vgl. artikel 5a lid 1 aanhef en onder a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen) is verstreken. In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.15 onder 3.5.3 ‘Ambtshalve herziening van de KOT bij het samenloopteam’ staat over deze situatie: “Wanneer sprake is van een foutieve vaststelling waarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden (er moet sprake zijn van een grove schending) – en waardoor de toekenning KOT te laag was – bestaat mogelijk nog wel een rechtsgrond om te herzien bij Toeslagen Regulier via het samenloopteam (ook na de 5-jaarstermijn).” De Commissie meent dat van een grove schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is. De KOT over de toeslagjaren 2006 en 2010 is verlaagd naar aanleiding van reguliere wijzingen. De Commissie ziet daarom geen mogelijkheid om UHT te adviseren om de beschikkingen te (laten) herzien.

Verrekeningen

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de forfaitaire vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Definitieve berekening KOT

Belanghebbende betwist de definitieve berekeningen van de KOT. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Een herbeoordeling van de KOT, zoals deze indertijd definitief is vastgesteld, valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

(Im)materiële schade

Belanghebbende betwist de wijze waarop de (im)materiële schade is berekend en voert aan dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend.

Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihil stellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder in een jaar automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie in de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Registratie KOI

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige gronden

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Nu de primaire beschikking met kenmerk UHT-DC I naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen en de motivering van de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B dient te worden aangevuld, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht is sprake van samenhangende zaken en heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 12 september 2022 (met kenmerk UHT-DC I), gegrond te verklaren voor wat betreft de berekening van de compensatie en om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen. De Commissie adviseert UHT verder om de bezwaren tegen de besluiten van 12 september 2022 (met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) ongegrond te verklaren. Tot slot adviseert de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2022 (met kenmerk UHT-OGS B) gegrond te verklaren in die zin dat de motivering van dat besluit moet worden aangevuld.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter