BAC 2025-16275
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 november 2023 (UHT-DCHA)
Overdracht advies aan UHT: 2 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2014, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 t/m 2016. Het bestreden besluit ziet op de toeslagjaren 2013, 2014, 2018 en 2019.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2013, 2014, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft op 18 december 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 5 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 11 maart 2026 meegedeeld dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van het recht om gehoord te worden en heeft verzocht de zaak af te doen op de stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie voor de toeslagjaren 2013, 2014, 2018 en 2019, af te wijzen.
Omvang van de herbeoordeling
Belanghebbende stelt dat het toeslagjaar 2015 ten onrechte niet is meegenomen in de herbeoordeling. UHT voert aan dat uit het herbeoordelingsverzoek van belanghebbende van 28 april 2021 volgt dat het verzoek eveneens betrekking heeft op het toeslagjaar 2015. Uit het dossier en de schriftelijke beschouwing blijkt dat UHT intussen het toeslagjaar 2015 ook heeft herbeoordeeld. Uit het feit dat belanghebbende niet nader heeft gereageerd, leidt de Commissie af dat zij het kennelijk eens is met de uitkomst van de herbeoordeling van het toeslagjaar 2015.
Toeslagjaren 2013, 2014, 2018 en 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013, 2014, 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2013 is sprake van één neerwaartse wijziging in KOT. De neerwaartse wijziging was gelegen in een wijziging van het aantal afgenomen opvanguren en in een verhoogd toetsingsinkomen, welke wijzigingen in de situatie belanghebbende niet heeft betwist. De terugvordering van KOT was dus gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen en in verband met informatie van de kinderopvanginstelling opnieuw is berekend.
Over het toeslagjaar 2014 is sprake van één neerwaartse wijziging in KOT. De neerwaartse wijziging was gelegen in een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf per 1 januari 2014. In het dossier is een TVS-melding van de desbetreffende stopzetting opgenomen (bladzijde 284). Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de KOT zelf heeft stopgezet.
Voor wat betreft het toeslagjaar 2018 is sprake van één neerwaartse wijziging in KOT. De neerwaartse wijziging was gelegen in een verhoogd toetsingsinkomen, welke verhoging door belanghebbende niet is betwist. De terugvordering van KOT was dus gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Met betrekking tot het toeslagjaar 2019 is sprake van twee neerwaartse wijzigingen in KOT. De neerwaartse wijziging van 21 februari 2019 was gelegen in een verhoogd (gezamenlijk) toetsingsinkomen. De neerwaartse wijziging van 24 april 2019 was gelegen in een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf per 30 april 2019. In het dossier is een TVS-melding van de desbetreffende stopzetting opgenomen (bladzijde 282). Belanghebbende heeft ook niet betwist dat het toetsingsinkomen is gestegen en dat zij de KOT zelf heeft stopgezet.
De Commissie is van oordeel dat de bijstellingen over de respectieve toeslagjaren conform de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kosten rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de bestreden beschikking niet behoeft te worden herroepen, adviseert de Commissie het verzoek een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen, af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter