BAC 2025-16854
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 november 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 26 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 31 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 29 november 2023 (UHT-DCH).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.160 over het jaar 2010 en de maanden april tot en met december 2011 en geen compensatie toegekend over 2009, 2012 en de maanden januari tot en met maart 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, en dat de Integrale Beoordeling in gang wordt gezet.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.160.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 januari 2024, ingekomen op 11 januari 2024, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 26 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend alsmede het verzoek om verdere compensatie op deugdelijke gronden heeft afgewezen (betreffende de jaren 2009, 2012 en de maanden januari tot en met maart 2011).
Dossier
De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
De Commissie overweegt ten aanzien van het toeslagjaar 2009 dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie over dit toeslagjaar was gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen ten aanzien van de opvanguren en opvangkosten. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat op een tegemoetkoming hiervoor ook geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
UHT heeft in de bestreden beschikking alsmede in de schriftelijke beschouwing van 27 februari 2025 het standpunt ingenomen dat sprake is van vooringenomen handelen over het toeslagjaar 2011, zodat de compensatieregeling over dit toeslagjaar van toepassing is. UHT betoogt dat ten aanzien van de maanden januari tot en met maart van het desbetreffende toeslagjaar sprake is van evident geen recht en dat daarom geen compensatie zal worden toegekend over deze periode.
De Commissie overweegt ten aanzien van het toeslagjaar 2011 het volgende. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege onder meer in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor over de periode januari tot en met maart van het toeslagjaar 2011, nu belanghebbende over de desbetreffende periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt overigens niet bestreden. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie overweegt dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie adviseert UHT daarom om de bestreden beschikking op dit onderdeel in stand te laten. Belanghebbende komt voor de periode april tot en met december 2011 wel in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
Toeslagjaar 2012
De Commissie overweegt ten aanzien van het toeslagjaar 2012 dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties over dit toeslagjaar waren het gevolg van een veranderd toetsingsinkomen en een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat op een tegemoetkoming hiervoor ook geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overigens zij, gelet op het door belanghebbende geuite bezwaar, opgemerkt dat in de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend wordt getoetst of belanghebbende recht heeft op compensatie op basis van de Wht. De procedure ziet niet op eventuele overige omissies bij de vaststelling van KOT in het verleden. Indien het belanghebbende destijds niet duidelijk was hoe haar toetsingsinkomen is berekend, dan stonden haar destijds reguliere rechtsmiddelen open.
De hoogte van de compensatieberekening
Belanghebbende betwist de juistheid van de berekening van de hoogte van het bedrag aan compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing van 27 februari 2025 opgemerkt dat de rentevergoeding over gemiste KOT (component f) en de vergoeding voor immateriële schade in het voordeel van belanghebbende verkeerd zijn berekend. De Commissie adviseert UHT om de bestreden beschikking op dit onderdeel in stand te laten in lijn met het verbod van reformatio in peius – dat bepaalt dat een belanghebbende niet slechter mag worden van het eigen bezwaar. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Kosten voor rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter