Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13084

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 april 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 2 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 31 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft vastgesteld dat volgens de bevindingen van UHT op naam van belanghebbende nooit KOT is aangevraagd, noch dat kinderopvangtoeslag is toegekend en/of is teruggevorderd. De CvW heeft geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat de gegevens van Belastingdienst/Toeslagen onjuist of onvolledig zijn. Zij heeft geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2023, ingekomen op 23 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij brief van 20 oktober 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
  • Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
  • Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd, maar de Commissie heeft aanleiding gezien om toch een hoorzitting te houden.
  • Bij e-mail van 22 januari 2026 heeft de Commissie nadere vragen gesteld aan belanghebbende en UHT.
  • Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft de Commissie belanghebbende en UHT verzocht om alsnog te reageren op de e-mail van 22 januari 2026.
  • Bij e-mail van 2 februari 2026 heeft UHT de Commissie en belanghebbende aanvullende stukken gestuurd en bericht dat uit de systemen niet blijkt dat KOT is aangevraagd en/of kinderopvang is afgenomen.
  • Op 2 februari 2026 heeft de hoorzitting plaatsgevonden.
  • Bij e-mail van 4 februari 2026 heeft UHT antwoord gegeven op vragen van de Commissie.
  • Bij e-mail van 4 februari 2026 heeft de Commissie nadere vragen gesteld aan UHT.
  • Bij e-mail van 16 februari 2026 heeft UHT nadere stukken ingestuurd en antwoord gegeven op vragen van de Commissie.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.

Hoorzitting

De Commissie hecht er waarde aan dat belanghebbenden worden gehoord, zodat zij hun standpunt naar voren kunnen brengen en nadere informatie kunnen verstrekken.

Daarmee wordt toepassing gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor. De Commissie beschouwt het horen als een wezenlijk onderdeel van de rechtsbescherming van belanghebbenden en spant zich er daarom voor in om een belanghebbende daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. In deze zaak is het niet gelukt belanghebbende te horen, ondanks de inspanningen die de Commissie daartoe heeft verricht. Belanghebbende reageert niet op e-mails en het bij de Commissie bekende telefoonnummer is niet in gebruik. UHT heeft op verzoek van de Commissie onderzocht of de huidige verblijfplaats van belanghebbende kon worden achterhaald, zodat hij per gewone post zou kunnen worden opgeroepen voor een nieuw te plannen hoorzitting. Dat onderzoek heeft niets opgeleverd. In de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) staat bij de adresgegevens van belanghebbende de vermelding “VOW”, wat betekent: vertrokken onbekend waarheen. Deze gegevens zijn ontleend aan de Basisregistratie Personen (BRP). Als een belanghebbende in de BRP met VOW staat geregistreerd, beschikt de B/T alleen over actuele adresgegevens als die door de belanghebbende zelf zijn doorgegeven. Dat is hier kennelijk niet gebeurd. Daarom beschikt de Commissie niet over een huidig adres van belanghebbende en heeft zij hem ook niet per gewone post kunnen oproepen voor een nieuwe hoorzitting.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

De Commissie constateert dat UHT aanvankelijk niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende en aan de Commissie heeft verstrekt. Het ouderverhaal en de zienswijze van belanghebbende ontbraken. Deze stukken zijn eerst na de hoorzitting, op verzoek van de Commissie, alsnog door UHT verstrekt. De Commissie overweegt dat deze stukken voorafgaand aan de hoorzitting beschikbaar hadden moeten zijn. Nu UHT deze stukken intussen heeft overgelegd, heeft zijalsnog voldaan aan de verplichting van artikel 7:4 lid 2 Awb om de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Belanghebbende heeft daardoor alsnog kennis kunnen nemen van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken en heeft de gelegenheid gehad daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het uiteindelijk beschikbaar gestelde dossier nog stukken ontbreken die van belang zijn geweest voor de door UHT genomen besluitvorming.

Toets artikel 2.1 lid 1 Wht

Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht kan compensatie worden toegekend aan de aanvrager van KOT indien de B/T institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of de hardheid van de toepassing van de toepasselijke wet- en regelgeving heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard. De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van de B/T, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd. Er zijn geen aanvragen, telefoonnotities of andere stukken aangetroffen die daarop wijzen. De Commissie overweegt dat het in een geval als dit aan belanghebbende is om zijn standpunt dat wel KOT is aangevraagd, aannemelijk te maken. Dat betekent niet dat ieder onderdeel van dat standpunt met objectief verifieerbare stukken moet worden bewezen, maar wel dat de stelling steun vindt in verklaringen, documenten of andere beschikbare informatie. Belanghebbende heeft aan zijn bezwaar ten grondslag gelegd dat hij bij de aanvraag van KOT voor zijn dochter problemen heeft ondervonden en dat die aanvraag is afgewezen vanwege een registratie in een fraudesignaleringssysteem. Belanghebbende heeft deze stelling echter niet met stukken of andere concrete aanknopingspunten onderbouwd. De Commissie kan niet uitsluiten dat belanghebbende in de toeslagjaren 2013 en 2014 wel kinderopvang heeft afgenomen, maar dat maakt op zichzelf nog niet aannemelijk dat ook KOT is aangevraagd. Daar staat tegenover dat UHT met gegevens uit haar systemen heeft toegelicht dat van een aanvraag om KOT niet is gebleken. De Commissie is daarom van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij KOT heeft aangevraagd. Reeds daarom kan hij geen beroep doen op artikel 2.1 lid 1 Wht en komt hij niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Ook het ontbreken van een afwijzende beschikking met betrekking tot KOT in de systemen van de B/T sluit daarbij aan. Voor zover belanghebbende stelt dat hij in bredere zin problemen heeft ondervonden in verband met het toeslagenstelsel, overweegt de Commissie dat deze bezwaarprocedure uitsluitend ziet op aan KOT te relateren gebeurtenissen die binnen de reikwijdte van de Wht vallen. Andere problemen vallen buiten het bestek van deze procedure. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Conclusie

De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter