Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16875

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 5 december 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 25 maart 2026

Overdracht advies aan UHT: 1 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 5 december 2024. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 december 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 en 2014. De beoordeling door UHT vond plaats over de jaren 2013 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 5 december 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 januari 2025 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 2 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft in een e-mailbericht van 24 maart 2026 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld en daarbij zeven producties overgelegd.
  • Op 25 maart 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Motivering bestreden besluit / zorgvuldigheid / belangenafweging / volledig dossier Belanghebbende voert aan, samengevat weergegeven, dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Belanghebbende meent dat geen belangafweging heeft plaatsgevonden. Belanghebbende verzoekt daarnaast om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van belanghebbende dat de motivering van het bestreden besluit onvolledig moet worden geacht of dat de voorbereiding daarvan onzorgvuldig is geweest. De Commissie constateert dat UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing heeft ingediend, waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: “LIC”) en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor voorzien van een kenbare motivering en dat alle af te wegen belangen in de besluitvorming zijn betrokken.

Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke beschouwing en het ouderdossier op 6 januari 2026 aan gemachtigde zijn gezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en zij hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde ouderdossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit. Van enige schending van het bepaalde bij artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden.

Afwijzing compensatie 2017

Op de hoorzitting heeft gemachtigde allereerst aangegeven dat het bezwaar is beperkt tot het jaar 2017. Gemachtigde meent dat in dat jaar sprake is van hardheid. De betaling van de KOT was door B/T opgeschort vanwege een controle nadat belanghebbende een KOT-aanvraag indiende voor haar tweede kind, terwijl de maandelijkse opvangkosten doorliepen. Door deze opschorting kwam belanghebbende in betalingsproblemen.

Zij heeft uiteindelijk de opvang voor haar kinderen moeten stopzetten, zij is haar woning kwijtgeraakt en is bij haar ouders ingetrokken.

De Commissie overweegt als volgt.

Uit de voorhanden stukken en de toelichting die UHT ter zitting heeft gegeven volgt dat, nadat belanghebbende een KOT-aanvraag deed voor haar tweede kind [naam] B/T een controle uitvoerde en uitvraag heeft gedaan bij belanghebbende. UHT heeft toegelicht dat, vanwege het relatief hoge aantal opvanguren, deze controle ook gebruikelijk is (“HOTHOR”). Het is evident dat een dergelijke controle en het opvragen van informatie bij belanghebbende enige tijd vergt, aldus UHT. Het gevolg daarvan is geweest dat de KOT niet meteen aan belanghebbende kon worden uitbetaald.

Uit het LIC-overzicht 2019 (pagina 635 bezwaardossier) blijkt dat de betaling van de KOT voor het tweede kind weliswaar enige vertraging heeft opgelopen omdat niet meteen in maart is uitbetaald, maar de betaling vond daarna alsnog met terugwerkende kracht plaats op 13 april 2017 (€2.558,- ineens uitbetaald op rekening van belanghebbende).

Dat belanghebbende hierdoor stress heeft ervaren omdat zij de KOT toen zelf moest betalen en zij andere lopende rekeningen niet (meteen) kon betalen is begrijpelijk, maar niet dusdanig van aard dat dit hardheid oplevert waarvoor belanghebbende gecompenseerd moet worden. De vertraging in de betaling is immers van relatief korte duur geweest (in plaats van betaling in maart vond betaling op 13 april 2017 plaats). Dat is een periode van enkele weken die belanghebbende heeft moeten zien te overbruggen en bovendien, zo blijkt ook uit de overgelegde stukken, heeft zij van de opvang uitstel van betaling gekregen (e-mail van 28 februari 2017, productie 3 bij de aanvullende bezwaargronden).

De Commissie concludeert dat voor het jaar 2017 geen sprake is geweest van dusdanig bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van hardheid.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het betreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter