BAC 2025-15899
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 september 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 8 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 2 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 16.578 voor het jaar 2018. Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2014, 2015 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 oktober 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 en 2018. In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd naar de jaren 2014, 2015, 2018 en 2019 omdat voor deze jaren sprake is van een terugvordering.
- UHT heeft bij besluit van 3 juni 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat hij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2019.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 23 mei 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2018 een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 15.633. Voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2019 heeft UHT aan belanghebbende geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft op 4 juli 2023 een zienswijze op de vooraankondiging ingediend. De Persoonlijk zaakbehandelaar van UHT heeft deze zienswijze beantwoord op 29 augustus 2023.
- UHT heeft bij het bestreden definitieve besluit van 4 september 2023 aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 16.578 wegens vooringenomenheid over het toeslagjaar 2018 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 november 2023, ingekomen op 9 november 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 18 februari 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 26 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar en de aanvulling hierop.
- Op 8 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 19 januari 2026 op gereageerd.
- Hierop heeft UHT op 12 februari 2026 door middel van een aanvulling op de beschouwing gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Betaal- en verrekenoverzichten
Belanghebbende stelt dat in het ouderdossier de betaal- en verrekenoverzichten ontbreken. De ontbrekende betaal- en verrekenoverzichten zijn door UHT als aanvullende productie bij de beschouwing van 26 mei 2025 toegevoegd. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Persoonlijk verhaal
Belanghebbende stelt dat in het ouderverhaal relevante correspondentie van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de stopzetting van de KOT ontbreekt. Terwijl zowel in de beschouwing als door de Commissie van Wijzen wel naar deze correspondentie wordt verwezen. Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. Ook wordt volgens belanghebbende door UHT onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van het handelen van B/T op hem en zijn gezin. De Commissie volgt deze stelling van belanghebbende niet.
Het ouderdossier inclusief de gespreksverslagen alsmede de schriftelijke reactie van UHT en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn op 25 november 2024 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebben de stukken ter inzage te leggen.
Het informatie- en beoordelingsformulier dat ten grondslag ligt aan het advies van de Commissie van Wijzen, geeft een weergave van het ouderverhaal en de tijdlijn. Hieruit blijkt dat de persoonlijke zaakbehandelaar de gehele situatie van belanghebbende in kaart heeft gebracht en dit per toeslagjaar uiteen heeft gezet (in een tijdlijn) en tot slot hierop zijn visie heeft gegeven. Vervolgens heeft ook de beoordelaar de situatie per toeslagjaar beoordeeld en hierop zijn visie gegeven. In de aanvullende beschouwing van 12 februari 2026 heeft UHT aangegeven dat in de eerdere (nadere) beschouwingen van 26 mei 2025 en 16 januari 2026 de stopzettingen worden uiteengezet. Daarom is de Commissie van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met het persoonlijk verhaal bij het opstellen van het besluit op basis van alle relevante feiten en omstandigheden zoals bekend bij UHT. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Juistheid stopzettingen
Belanghebbende betwist de juistheid van de stopbrieven. Volgens belanghebbende wordt daarin ten onrechte gesuggereerd dat belanghebbende zelf de KOT heeft stopgezet of gewijzigd.
UHT heeft vastgesteld dat de KOT door belanghebbende zelf op 21 december 2014 is stopgezet met ingang van 4 december 2014 (zie SAS-rapport, bladzijde 110 van het dossier). De informatie uit de KOI-viewer 2014 komt hiermee overeen (zie bladzijde 176 en 177 van het dossier). Nu door belanghebbende het tegendeel op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt onderschrijft de Commissie de conclusie van UHT. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Aanvullende compensatie
Belanghebbende voert aan dat hij als gevolg van het niet tijdig verstrekken van het ouderdossier door UHT niet in staat was om het dossier goed te beoordelen en als gevolg hiervan schade heeft geleden.
Deze bezwaarprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat hem aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan hij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 4 september 2023 met kenmerk UHT-DCH ongegrond te verklaren, de bestreden beslissing in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter