Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15587

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 december 2021 met de kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A, UHT-DH5 A, UHT-O OGS B

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 1 april 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen vier beschikkingen van 14 december 2021:

  1. Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DC-I A;
  2. Definitieve beschikking afwijzing hardheidscompensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DH5 A;
  3. Definitieve beschikking afwijzing hardheidscompensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DH A;
  4. Definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) met kenmerk UHT-O OGS B.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend op grond van vooringenomenheid danwel hardheid voor de jaren 2012 tot en met 2019. Belanghebbende heeft voor toeslagjaar 2013 wel recht op een O/GS-tegemoetkoming van € 1.839.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden besluiten geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Het verzoek van belanghebbende had aanvankelijk betrekking op de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2018 en 2019. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid naar de jaren 2012 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 1 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 november 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de toeslagjaren 2012 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Belanghebbende komt voor toeslagjaar 2013 wel in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
  • UHT heeft met het eerste bestreden besluit van 14 december 2021, met kenmerk UHT-DC-I A, aan belanghebbende medegedeeld dat over de jaren 2012 tot en met 2019 geen recht bestaat op compensatie wegens vooringenomenheid.
  • UHT heeft met het tweede bestreden besluit van 14 november 2021, met kenmerk UHT-DH5 A, aan belanghebbende medegedeeld dat over de jaren 2012 tot en met 2015 geen recht bestaat op een tegemoetkoming wegens hardheid.
  • UHT heeft met het derde bestreden besluit van 14 november 2021, met kenmerk UHT-DH A, aan belanghebbende medegedeeld dat over de jaren 2016 tot en met 2019 geen recht bestaat op een tegemoetkoming wegens hardheid.
  • UHT heeft met het vierde bestreden besluit van 14 november 2021, met kenmerk UHT-O/GS B, aan belanghebbende medegedeeld dat voor toeslagjaar 2013 recht bestaat op een O/GS-tegemoetkoming van € 1.839. Omdat belanghebbende vanuit de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 heeft ontvangen, volgt geen nabetaling.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 14 augustus 2024 tegen de vier bestreden besluiten een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 10 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 19 november 2025 heeft de gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • De gemachtigde heeft op 26 december 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld.UHT heeft op 5 februari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:

  • het ontbreken van een persoonlijk dossier en/of een onvolledig bezwaardossier;
  • het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
  • het niet tijdig definitief beslissen op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
  • de registratie van de kinderopvanginstelling;
  • het beslissen op bezwaar;
  • het gebruik van informatie uit de KOI-viewer;de opzet/grove schuld-kwalificatie en opname op de FSV-lijst;
  • discriminatie;
  • beoordeling per toeslagjaar;
  • de hoogte van de KOT;
  • de voorafgaande toetsing van het recht op KOT door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T);
  • verrekeningen en de mogelijkheid om voor aanvullende schade een verzoek in te dienen bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet beschikt over alle benodigde informatie om de bestreden beschikkingen te kunnen controleren. Volgens belanghebbende beschikt zij niet over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Zonder deze stukken kan volgens haar niet worden beoordeeld of alle relevante documenten aanwezig zijn.

De Commissie volgt dit standpunt niet. UHT heeft op 11 april 2025 het ouderdossier aan de gemachtigde toegezonden. Op 6 oktober 2025 heeft de Commissie de schriftelijke beschouwing van 10 juni 2025 en het aangevulde ouderdossier aan de gemachtigde toegezonden. Daarbij is het dossier aangevuld met de producties 2700001 tot en met 2700013.

Op 5 februari 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend en het ouderdossier verder aangevuld met de producties 2700015 tot en met 2700019.

De Commissie is van oordeel dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dit kan anders zijn indien belanghebbende een concreet aanknopingspunt aandraagt waaruit volgt dat het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Daarvan is in dit geval geen sprake. De enkele mogelijkheid dat bij onbekendheid met de stukken in dat dossier nog relevante informatie ontbreekt, is onvoldoende.

Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden besluiten onvoldoende inzichtelijk zijn gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Volgens belanghebbende heeft UHT haar voorafgaand aan het nemen van de bestreden besluiten niet in de gelegenheid gesteld haar zienswijze aan B/T kenbaar te maken, hetgeen volgens haar in strijd is met de Wht.

De Commissie is van oordeel dat UHT de besluiten uitvoerig en overtuigend heeft gemotiveerd en het daaraan ten grondslag liggende onderzoek voldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. Met de beschouwingen van 10 juni 2025 en 6 februari 2026 heeft UHT een nadere en uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LIC-overzichten, het SAS-rapport en andere relevante stukken. Daarbij heeft UHT tevens rekening gehouden met het persoonlijk verhaal van belanghebbende en het oordeel van de CvW. Deze documenten maken onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

De Commissie overweegt voorts dat het ontbreken van een vooraankondiging of de mogelijkheid om vooraf een zienswijze in te dienen bij het nemen van de bestreden besluiten niet zonder meer leidt tot de onrechtmatigheid daarvan. Doorslaggevend is of een dergelijk eventueel gebrek in de bezwaarprocedure alsnog is hersteld. Daarbij dient de belanghebbende daadwerkelijk en in voldoende mate in de gelegenheid te zijn gesteld haar standpunt naar voren te brengen en haar belangen toe te lichten.

In dit geval stelt de Commissie vast dat belanghebbende met de indiening van de bezwaarschriften van 14 augustus 2024 en 26 december 2025 ruimschoots in de gelegenheid is geweest haar argumenten naar voren te brengen. Daarnaast is belanghebbende de mogelijkheid geboden om te worden gehoord, waarvan zij uitdrukkelijk heeft afgezien. Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunten kenbaar te maken en dat een eventueel gebrek in de voorbereidingsfase in de bezwaarprocedure afdoende is hersteld.

Het niet tijdig definitief beslissen volgens artikel 19 van de Awir

Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan haar toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.

De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van de onderhavige bezwaarprocedure valt en laat deze daarom verder onbesproken.

Registratie van de kinderopvanginstelling

Belanghebbende heeft aangevoerd dat eventuele gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) haar niet behoren te worden tegengeworpen.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2019 niet wordt tegengeworpen dat zij gebruik heeft gemaakt van een niet-geregistreerde KOI. Reeds daarom treft deze bezwaargrond geen doel.

Beslissen op bezwaar

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die zij in de herbeoordeelde jaren heeft ingediend, duidt op vooringenomen handelen.

De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie bij belanghebbende niet heeft plaatsgevonden. Reeds daarom treft deze bezwaargrond geen doel.

Gebruik van informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T bij het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie uit de KOI-viewer, tenzij er concrete aanwijzingen zijn die twijfel rechtvaardigen.

Belanghebbende heeft geen informatie aangevoerd waaruit blijkt dat B/T de gegevens uit de KOI-viewer had moeten betwijfelen. Reeds daarom treft deze bezwaargrond geen doel.

O/GS-kwalificatie en opname op de FSV-lijst

De gemachtigde heeft aangevoerd dat de onderbouwing in de onderliggende stukken voor het ontbreken van een O/GS-kwalificatie onvoldoende is. Daarnaast ontbreekt volgens de gemachtigde een toelichting op de opname van belanghebbende op de FSV-lijst.

De Commissie constateert dat UHT aanvankelijk slechts verwees naar pagina’s 29 en 277–279 van het ouderdossier, waarin wordt vastgesteld dat alleen voor toeslagjaar 2013 sprake is van een O/GS-kwalificatie. In de aanvullende beschouwing van 5 februari 2026 heeft UHT hierover een nadere toelichting gegeven, met verwijzing naar informatie van de afdeling CAP B&I. Deze toelichting ziet echter uitsluitend op toeslagjaar 2013 en niet op de overige jaren.

De Commissie overweegt dat een nadere uitleg gewenst is over de wijze waarop is vastgesteld dat voor de toeslagjaren 2012 en 2014–2019 geen O/GS-kwalificatie van toepassing is. Indien hierover interne aanvullende informatie beschikbaar is, acht de Commissie het begrijpelijk dat belanghebbende behoefte heeft aan inzicht daarin. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT om in de beslissing op bezwaar, met inachtneming van het memo ‘Onderliggende stukken O/GS’ van Dienst Toeslagen, Afdeling Vaktechniek van 18 september 2025, een duidelijke en begrijpelijke toelichting te geven over de vaststelling van het ontbreken van een O/GS-kwalificatie voor de overige toeslagjaren.

Ten aanzien van de opname op de FSV-lijst merkt de Commissie op dat uit het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 31 van de onderliggende stukken) blijkt dat belanghebbende niet op deze lijst stond. In de aanvullende beschouwing van UHT wordt bovendien verwezen naar het FSV-vaststellingsformulier (pagina 283). De Commissie is van oordeel dat UHT hiermee aannemelijk heeft gemotiveerd dat belanghebbende niet op de FSV-lijst is opgenomen en dat hierover geen nadere informatie beschikbaar is.

Discriminatie

De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Tevens moet aannemelijk worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.

In het onderhavige geval heeft belanghebbende gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is niet onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie overweegt dat van degene die zich op dergelijke gronden beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd. Reeds daarom treft deze bezwaargrond geen doel.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Volgens haar doet een selectie van jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.

De Commissie wijst erop dat uit de wetsgeschiedenis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. In de Memorie van Toelichting wordt dit expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.”

De Commissie leidt hieruit af dat voor elk toeslagjaar afzonderlijk moet worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen of onbillijke hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming met de wet is geweest. Een enkele, niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren, louter omdat dit in één jaar is vastgesteld, is naar het oordeel van de Commissie onjuist.

Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Hoogte van de KOT

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor het herstel van de gevolgen van vooringenomen handelen, onbillijke hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. De Wht ziet niet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dan ook buiten de reikwijdte van de Wht. Reeds daarom treft deze bezwaargrond geen doel.

Voorafgaande toetsing van het recht op KOT door B/T

De Commissie stelt voorop dat het toeslagenstelsel werkt met voorschotten, waarbij het definitieve recht op KOT afhankelijk is van gegevens die gedurende of na afloop van het toeslagjaar worden vastgesteld. Het is in de eerste plaats aan de belanghebbende om relevante wijzigingen tijdig en volledig aan B/T door te geven en desgevraagd stukken te overleggen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor toekenning van KOT is voldaan en dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Niettemin kan de rol van B/T worden meegewogen als blijkt dat signalen voor nader onderzoek niet zijn opgevolgd. In dergelijke gevallen kan dit aanleiding zijn tot matiging van de terugvordering. Het is de Commissie echter niet gebleken dat B/T duidelijke signalen tot zijn beschikking had die aanleiding gaven tot nader onderzoek voorafgaand aan de toekenning van voorschotten.

Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Verrekeningen en voor aanvullende schade naar de CWS

Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van terugvorderingen met nadien toegekende toeslagen, waaronder de KOT.

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering van de KOT. De onderhavige procedure heeft uitsluitend betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van werkelijke schade. Indien belanghebbende van mening is dat zij recht heeft op aanvullende compensatie voor werkelijke schade als gevolg van deze verrekeningen, kan zij daarvoor een verzoek indienen bij CWS. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

De Commissie zal vervolgens ingaan op de afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2012 tot en met 2019 vanwege vooringenomenheid en onbillijke hardheid.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende voert aan dat de KOT mogelijk onjuist is berekend en verzoekt om herberekening.

De Commissie verwijst naar hetgeen reeds is overwogen onder het kopje Hoogte van de KOT. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Toeslagjaren 2013 en 2014

Belanghebbende betwist dat de stopzettingen van de KOT in de toeslagjaren 2013 en 2014 door haar zijn gedaan. Zij stelt dat voor toeslagjaar 2013 onterecht is uitgegaan van informatie uit de KOI-viewer en dat voor 2014 onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de KOT definitief vast te stellen. Mogelijk zouden hierdoor twee definitieve beschikkingen onterecht zijn genomen.

UHT heeft gesteld dat de verlagingen van de KOT voor 2013 zijn veroorzaakt door een digitale stopzetting door belanghebbende en mede zijn gebaseerd op gegevens uit de KOI-viewer. Voor 2014 is de verlaging eveneens het gevolg van een digitale stopzetting door belanghebbende, en is de definitieve vaststelling geautomatiseerd tot stand gekomen op basis van beschikbare gegevens. Een latere herziening voor 2014 hing samen met nieuwe inkomensgegevens en heeft niet geleid tot een verlaging van de KOT.

De Commissie neemt kennis van de elektronische meldingen waarin belanghebbende verzocht de KOT stop te zetten, respectievelijk per 20 mei 2013 en per 20 februari 2014. Naar aanleiding van deze meldingen heeft B/T beschikkingen afgegeven op 21 juni 2013 en 21 maart 2014, waarmee de KOT neerwaarts werd bijgesteld. Uit de stukken blijkt niet dat belanghebbende hiertegen bezwaar heeft gemaakt. Als deze meldingen niet van haar afkomstig zouden zijn geweest, had het voor de hand gelegen dat zij bezwaar zou hebben aangetekend. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende in deze bezwaarprocedure ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de meldingen niet door haar zijn gedaan.

Voor toeslagjaar 2013 is de KOT met de beschikking van 29 mei 2015 voor de tweede keer neerwaarts bijgesteld op basis van gegevens uit de KOI-viewer. Daarbij werd uitgegaan van 71 uur afgenomen kinderopvang per maand, volgens de opgave uit de KOI-viewer. Zoals eerder overwogen onder “gebruik van informatie uit de KOI-viewer, is de Commissie van oordeel dat er geen informatie aanwezig was die B/T aanleiding had moeten geven tot nadere uitvraag bij belanghebbende.

Voor toeslagjaar 2014 geldt dat de beschikkingen van 31 oktober 2015 en 29 april 2016 geen neerwaartse bijstellingen van KOT tot gevolg hadden in vergelijking met de beschikking van 27 maart 2015. In de beschikking van 31 oktober 2015 werd nog uitgegaan van een gezamenlijk toetsingsinkomen van € 0, en op 29 april 2016 werd het definitieve gezamenlijk toetsingsinkomen vastgesteld op € 11.423. Belanghebbende heeft tegen deze beschikkingen geen bezwaar aangetekend.

Resumerend is de Commissie van oordeel dat voor de toeslagjaren 2013 en 2014 sprake is geweest van reguliere bijstellingen van de KOT die niet zijn ingegeven door vooringenomen handelen door B/T. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een tegemoetkoming wegens hardheid. Voor toeslagjaar 2014 was er bovendien geen onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook daarop geen recht op een tegemoetkoming bestaat.

Gelet op het voorgaande treffen de bezwaargronden geen doel.

Toeslagjaren 2015 tot en met 2017

Belanghebbende stelt dat zij uit angst geen KOT heeft aangevraagd, terwijl er wel opvangkosten zijn gemaakt, zoals blijkt uit de KOI-viewer. Zij meent dat B/T haar nader had moeten informeren over de mogelijkheden tot herstel of om een aanvraag met terugwerkende kracht mogelijk te maken.

UHT heeft gesteld dat er geen causaal verband bestaat met vooringenomen handelen, omdat de stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf is doorgegeven. Daarnaast was B/T niet verplicht om belanghebbende actief te informeren over de mogelijkheid om opnieuw KOT aan te vragen. De vermelding van een “lopende aanvraag” in het dossier ziet bovendien op huurtoeslag en niet op KOT.

De Commissie overweegt dat compensatie in principe niet wordt toegekend als geen aanvraag is ingediend, tenzij sprake is van actuele, bijzondere en concreet onderbouwde schrijnende omstandigheden. Angst of stress als gevolg van de toeslagenaffaire kan in uitzonderlijke gevallen aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule (artikel 9.1 Wht), maar het enkel niet aanvragen van KOT uit angst of stress is op zichzelf onvoldoende voor compensatie.

Voor toepassing van de hardheidsclausule moet aannemelijk worden gemaakt dat angst of andere schrijnende omstandigheden daadwerkelijk hebben geleid tot het niet-aanvragen van KOT. Hiertoe kunnen bewijsstukken worden verlangd, zoals medische verklaringen, huisartsenjournaals, verklaringen van behandelaars of maatschappelijk werkers, bewijs van zorg voor kinderen met beperkingen, of andere documenten die de persoonlijke situatie concreet en actueel onderbouwen. Deze stukken moeten aantonen dat de omstandigheden bijzonder en actueel waren en daadwerkelijk hebben belemmerd dat KOT werd aangevraagd. Algemene verwijzingen naar angst of stress volstaan niet; de situatie moet met concrete, relevante en onderbouwde documenten worden aangetoond.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende haar stelling niet heeft onderbouwd met de benodigde informatie, zodat een beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Bovendien blijkt uit de KOI-viewer dat belanghebbende in 2016 en 2017 wel daadwerkelijk kinderopvang heeft afgenomen zonder hiervoor een aanvraag in te dienen.

Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Toeslagjaar 2018

Belanghebbende voert aan dat niet duidelijk is voor welke periode en voor hoeveel uur KOT is aangevraagd. Zij stelt dat B/T zich niet uitsluitend had mogen baseren op de gegevens uit de KOI-viewer en de doorgegeven stopzetting, en dat de definitieve beschikking vooringenomen zou zijn omdat de werkelijke kosten niet konden worden aangetoond. Ook zijn volgens belanghebbende de gemaakte aanmaningskosten niet rechtmatig.

UHT heeft gesteld dat de KOT is toegekend op basis van de aanvraag van 15 oktober 2018, waarbij gebruik is gemaakt van gegevens uit de KOI-viewer omdat geen jaaropgave beschikbaar was. De latere verlaging van de toeslag was het gevolg van een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen en een door belanghebbende doorgegeven stopzetting per 1 december 2018. Volgens UHT leidt een latere definitieve beschikking niet tot vooringenomen handelen en zijn de in rekening gebrachte aanmaningskosten rechtmatig.

De Commissie heeft geen aanwijzingen kunnen vinden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2018 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel onbillijk heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT was gebaseerd op een te hoog toegekend voorschot. Dit voorschot is met één reguliere wijziging neerwaarts bijgesteld van € 560 naar € 409 vanwege de doorgegeven stopzetting vanaf 1 december 2018 en de aanpassing van het gezamenlijk toetsingsinkomen van € 28.934 naar € 20.969. Belanghebbende heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen deze verlaging. Evenmin is gebleken dat B/T beschikte over informatie die het in redelijkheid onmogelijk maakte om op de gegevens uit de KOI-viewer te vertrouwen. In deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende ook niet aannemelijk kunnen maken dat de opvanguren of gemaakte kosten onjuist waren.

De Commissie overweegt dat de bijstelling in overeenstemming met de wet is uitgevoerd. Dergelijke reguliere bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. Er was bovendien geen onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook daarop geen vergoeding kan worden toegekend.

Ten aanzien van de aanmaningskosten merkt de Commissie op dat niet iedere onrechtmatige aanmaning leidt tot compensatie onder de Wht. Compensatie is slechts aan de orde als de kosten voortkomen uit institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid van het stelsel. Bij reguliere fouten of onrechtmatigheden zonder structurele vooringenomenheid of hardheid bestaat geen recht op compensatie.

De Commissie stelt vast dat in toeslagjaar 2018 sprake was van een rechtmatige terugvordering en inning van te veel ontvangen KOT. Hierom kan niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van vooringenomenheid of hardheid.

Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Toeslagjaar 2019

Belanghebbende stelt dat de nihilstelling van de KOT voor toeslagjaar 2019 gebaseerd zou zijn op een stopzetting die zij niet aan B/T heeft doorgegeven.

UHT heeft toegelicht dat belanghebbende vanaf 29 november 2018 de KOT heeft stopgezet en dat dit de reden is dat de KOT voor toeslagjaar 2019 op nihil is gesteld.

De Commissie neemt kennis van de elektronische melding waarin namens belanghebbende is verzocht de KOT stop te zetten. Deze melding is op 29 november 2018 door B/T ontvangen en correct geregistreerd en betreft een stopzetting per 1 december 2018. Gelet op deze gegevens stelt de Commissie vast dat de beëindiging van de KOT voortvloeit uit een verzoek dat namens belanghebbende is ingediend.

De Commissie beschouwt deze stopzetting als een aan belanghebbende toe te rekenen handeling, die als uitgangspunt dient bij de beoordeling van het verdere verloop van de KOT in dat jaar. Belanghebbende heeft voor toeslagjaar 2019 geen nieuwe aanvraag ingediend, zodat de nihilstelling van de KOT niet het gevolg is van vooringenomen handelen. Evenmin kan belanghebbende op deze grond aanspraak maken op een tegemoetkoming vanwege hardheid of O/GS-kwalificatie.

Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter