BAC 2025-16482
Publicatiedatum 28-05-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 oktober 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 2 april 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen voor toeslagjaar 2016 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 oktober 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016, 2017 en 2018. UHT heeft de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 17 november 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015, 2016, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 november 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 2 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 26 maart 2026 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid de bezwaren op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Toeslagjaren 2015, 2016, 2018 en 2019
Belanghebbende betoogt dat zij gedupeerd is door fouten bij de KOT en dat zij recht heeft op een vergoeding. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) is verschillende keren van onjuiste gegevens uitgegaan met betrekking tot de kinderopvanginstelling waar de opvang plaatsvond, de periode en de uren. Bovendien is een of meerdere keren van informatie uitgegaan die niet bij belanghebbende is geverifieerd, wat duidt op vooringenomenheid.
De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende in de eerste toets procedure een bedrag van €30.000,- is toegekend. Zij hoeft dit nooit terug te betalen. In de integrale beoordeling heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie of tegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015, 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Over toeslagjaar 2018 is de KOT niet verlaagd. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat B/T over het toeslagjaar 2018 meer of andere gegevens heeft opgevraagd dan noodzakelijk waren om het recht op KOT te kunnen vaststellen. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld.
Daarvoor is meer nodig. Voor dit meerdere ziet de Commissie geen aanknopingspunten. Naar het oordeel van de Commissie is geen sprake van vooringenomenheid op grond van de situatie dat de KOT niet is toegekend op aanvraag nadat geconstateerd is dat de ouder niet heeft gereageerd op een verzoek om informatie (Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16, pagina 23). De KOT is immers alsnog toegekend na herhaalde uitvraag bij brief van 24 april 2018 (productie 1218003) en de reactie hierop van belanghebbende van 30 mei 2018 (productie 1218004), vanaf de oorspronkelijke aanvraagdatum, tevens ingangsdatum van de opvang. Dat op 10 april 2018 ook een uitvraagbrief is verzonden, zoals vermeld in de beschouwing, ziet de Commissie overigens niet terug in de dossierstukken.
De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2015 en 2019 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Over 2015 is de KOT verlaagd naar aanleiding van gegevens uit de KOI-viewer. Blijkens de beschouwing is daaraan voorafgaand tweemaal uitvraag gedaan bij belanghebbende. Over 2019 is de KOT verlaagd bij besluit van 23 juli 2019 van €3.175,- naar €1.716,-vanwege de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 26 juni 2019 per 16 juli 2019 (productie 2800600). Dit acht de Commissie niet vooringenomen.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
Ten aanzien van toeslagjaar 2016 ligt dit anders.
De Commissie stelt vast dat de KOT over 2016 bij besluit van 21 juni 2016 is verlaagd van €8.599,- naar €3.583,- naar aanleiding van de stopzetting van de KOT door belanghebbende op 19 mei 2016 per 1 juni 2016 (productie 2800500). Bij definitief besluit van 11 mei 2018 is de KOT verlaagd naar €2.166,- op basis van de KOI-viewer (productie 1216007 en 1216008) waaruit blijkt van opvang tot en met 31 maart 2016. Naar de Commissie meent, slaagt de bezwaargrond dat B/T de informatie uit de KOI-viewer bij belanghebbende had moeten verifiëren alvorens de KOT te verlagen. De stopzetting van de KOT door belanghebbende per 1 juni 2016 had B/T in redelijkheid moeten doen twijfelen aan de KOI-viewer en aanleiding moeten zijn voor uitvraag bij belanghebbende. Dat dit niet is gebeurd, acht de Commissie vooringenomen.
Gelet daarop adviseert de Commissie UHT om over toeslagjaar 2016 alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid toe te kennen. Hierbij overweegt de Commissie dat geen sprake is van latere bewijsstukken of verklaringen waaruit achteraf blijkt dat sprake is van een terechte verlaging.
De bezwaargrond dat B/T verschillende keren van onjuiste gegevens is uitgegaan met betrekking tot de kinderopvanginstelling waar de opvang plaatsvond, de periode en de uren is overigens niet nader gespecificeerd, zodat de Commissie daarover verder niet kan oordelen.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, en om:
- alsnog compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen voor toeslagjaar 2016;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter