Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

AC 2025-16386

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 25 augustus 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: n.v.t.

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag, hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 11.640 voor het toeslagjaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2012. Belanghebbende heeft in het kader van de Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 ontvangen.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 26 februari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2011. Na overleg met belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012.
  • UHT heeft bij besluit van 17 maart 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen heeft op 14 juni 2023 aan UHT geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2010 en 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 11.640 voor het toeslagjaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 mei 2024, ingekomen op 2 mei 2024, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 13 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 15 januari 2026 meegedeeld dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van het recht om gehoord te worden en verzocht om een schriftelijke ronde voor het aanvullen van het bezwaar.
  • De Commissie heeft gemachtigde in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 10 februari 2026 aanvullende gronden in te dienen. Gemachtigde heeft geen gebruik van deze mogelijkheid gemaakt, zodat de Commissie overgaat tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot de beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2010 en 2012 af te wijzen.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan de verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd.
De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreken, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende stelt dat de jaren in de beoordeling niet op zichzelf staan. Als in een jaar ten onrechte KOT is teruggevorderd, zijn de gevolgen ook in de jaren ervoor en erna gevoeld. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.

Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Toeslagjaren 2010 en 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2010 en 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van de KOT over deze jaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.

De verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2010 was volgens UHT het gevolg van de stopzetting door belanghebbende van de KOT (voor dagopvang) per 16 juni 2010.

Belanghebbende heeft met ingang van 15 augustus 2010 KOT voor buitenschoolse opvang aangevraagd. Uit de KOI-viewer volgt dat belanghebbende in de periode tussen 16 juni en 15 augustus 2010 geen gebruik van kinderopvang heeft gemaakt. De Commissie heeft daarom geen aanknopingspunten gevonden op grond waarvan zij het aannemelijk acht dat belanghebbende de KOT niet zelf heeft stopgezet en dat zij tussen 16 juni en 15 augustus 2010 wel kinderopvang heeft afgenomen.

De verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2012 was het gevolg van de stopzetting van de KOT door belanghebbende voor haar tweede kind per 15 juni 2012.

Uit de KOI-viewer volgt dat zij voor haar jongste kind wel het gehele jaar kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat zij voor de kinderopvang van haar jongste kind KOT heeft aangevraagd of een wijziging heeft doorgegeven. Omdat geen aanvraag voor KOT is ingediend of een wijziging is doorgegeven, duidt het niet toekennen van KOT voor deze kinderopvang niet op vooringenomen handelen door B/T.

De voorschotten zijn dus door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening
Belanghebbende stelt zich op het, op zichzelf juiste, standpunt dat het compensatiebedrag op onjuiste wijze is berekend. De einddatum van de periode waarover de vergoeding voor immateriële schade is berekend, is onjuist vastgesteld. Het gebruik van de juiste einddatum leidt echter niet tot een hogere vergoeding voor immateriële schade. Het aantal halve jaren waarover de vergoeding wordt berekend verandert immers niet. De Commissie constateert daarnaast dat de rentevergoeding over gemiste KOT voor het toeslagjaar 2011 onjuist is berekend. Bij de berekening van deze vergoeding is van een onjuiste einddatum uitgegaan. De Commissie adviseert UHT dit niet aan te passen en het besluit niet te herroepen, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn.

Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor zijn de procedures waarbij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) advies uitbrengt, bij de Stichting (Gelijk)waardig Herstel en MijnHerstel bestemd.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:

  • het bestreden besluit in stand te laten;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter