Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16855

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 oktober 2023 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 18 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 10 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen voor toeslagjaar 2012, de compensatieberekening en de O/GS-tegemoetkoming aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €29.399,- voor de jaren 2011, januari tot en met april 2014 en januari tot en met maart 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2012, 2013, mei tot en met december 2014, april tot en met december 2015 en 2016. Voor de jaren 2012 tot en met 2016 is wel een Opzet/Grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming van €7.908,- aan belanghebbende toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 16 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij besluit van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 maart 2023 aan UHT toegestuurd.
  • De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010, 2012, 2013, mei tot en met december 2014, april tot en met december 2015 en 2016.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €29.399,- voor de jaren 2011, januari tot en met april 2014 en januari tot en met maart 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2012, 2013, mei tot en met december 2014, april tot en met december 2015 en 2016. Voor de jaren 2012 tot en met 2016 is een O/GS-tegemoetkoming van €7.908,- aan belanghebbende toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 30 oktober 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 februari 2026 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 11 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 18 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 maart 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op 5 maart 2026 gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2011, januari tot en met april 2014 en januari tot en met maart 2015 en de O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2012 tot en met 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2010, 2012, 2013, mei tot en met december 2014, april tot en met december 2015 en 2016 af te wijzen.

Gelet op de bezwaargronden en de hoorzitting zijn enkel de compensatieberekening en de afwijzing van compensatie over de jaren 2012, 2013 en 2014 in geschil.

Afwijzing compensatie toeslagjaren 2012, 2013, 2014

Toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt - kort gezegd - dat de KOT in 2012 wegens vooringenomen handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) niet is gecontinueerd en dat belanghebbende daarom voor compensatie in aanmerking komt.

In de aanvullende beschouwing van 4 maart 2026 stelt UHT dat belanghebbende alsnog recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen over 2012.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat de KOT door B/T op 11 september 2015 is verlaagd, nadat er slechts eenmaal (op 14 april 2015) uitvraag werd gedaan naar het doelgroeperschap van belanghebbende. Niet duidelijk is of sprake was van een andere vorm van doelgroeperschap dan uitsluitend arbeid. Dit valt volgens belanghebbende te kwalificeren als een vooringenomen handeling. Belanghebbende verwijst naar toeslagjaar 2014, waarover op basis van dezelfde situatie wel vooringenomen handelen is aangenomen.

UHT stelt dat op 14 april 2015 door B/T uitvraag is gedaan naar werk en doelgroeperschap. Op 1 mei 2015 stuurde belanghebbende jaaropgaven, maar geen informatie over werk of doelgroeperschap. Op 11 september 2015 stelde B/T de KOT vast conform deze gegevens en werkgegevens over belanghebbende uit de systemen.

In de aanvullende beschouwing stelt UHT dat niet gebleken is dat er naast werk sprake was van doelgroeperschap nu belanghebbende geen daarvoor in aanmerking komende (erkende) opleiding volgde. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die dat oordeel anders zouden maken.

De Commissie stelt vast dat UHT eenmaal uitvraag heeft gedaan over 2013 op 14 april 2015. In het formulier is gevraagd om:

“Jaaropgave(n) van de kinderopvanginstelling(en) van het jaar 2013 waaruit het afgenomen aantal uren en de opvangkosten blijken. Als u geen jaaropgave(n) heeft, dient u in de plaats hiervan alle facturen en bankafschriften, met daarop de betalingen van die facturen, naar ons op te sturen.

Indien u in 2013 (een deel van het jaar) niet heeft gewerkt maar tot een doelgroep behoorde, vragen wij u daarvan het bewijs mee te sturen. Dit kan zijn:

  • uw bewijs met betrekking tot het volgen van een re-integratietraject via UWV of gemeente
  • uw bewijs van het volgen van een inburgeringscursus
  • uw bewijs van inschrijving aan een erkende onderwijsinstelling

De begin- en einddatum van het traject of de studie dienen genoemd te worden in de bewijsstukken.”

Belanghebbende heeft volstaan met toezending van de jaaropgaven 2013 (productie 1213012).

Naar de Commissie meent, was B/T niet gehouden om een nadere uitvraag te doen nu aan de uitvraag is voldaan. Gelet op de vraagstelling in het formulier met betrekking tot een eventueel doelgroeperschap (“Indien u in 2013 ….”) mocht B/T er immers van uitgaan dat belanghebbende, nu zij geen bewijs heeft ingestuurd van doelgroeperschap, kennelijk niet tot een doelgroep behoorde zonder dit nogmaals uit te vragen. Van vooringenomen handelen is daarom naar de Commissie meent geen sprake.

Toeslagjaar 2014
Aan belanghebbende is over toeslagjaar 2014 compensatie toegekend voor de periode januari tot en met april 2014.

Op de hoorzitting is namens belanghebbende betwist dat over de maanden mei tot en met december 2014 sprake was van evident geen recht op KOT en daarmee geen recht op compensatie vanwege het ontbreken van opvang.

De verklaring van belanghebbende tijdens het oudergesprek mag hiervoor niet doorslaggevend zijn, aldus gemachtigde. Verder moet de KOI-viewer buiten beschouwing blijven omdat het niet nader uitvraag doen naar aanleiding van de KOI-viewer juist de vooringenomen handeling over dit jaar is.

De Commissie stelt op grond van het Informatie- en beoordelingsformulier vast dat de verlaging van de KOT bij beschikking van 27 mei 2016 van €3.450,- naar €1.869,-, op basis van de KOI-viewer, volgens UHT vooringenomen was. B/T had reden om te twijfelen aan deze gegevens omdat belanghebbende de KOT niet had gestopt. B/T heeft wel een uitvraag gedaan (op 30 maart 2016, productie 1214005), maar geen rappel gestuurd. Dat wordt aangemerkt als vooringenomen handelen. De verlaging is volgens UHT echter terecht omdat de gegevens uit de KOI-viewer, dat sprake was van opvang tot en met 16 april 2014, juist waren. Voor de periode mei tot en met december 2014 is daarom sprake van evident geen recht.

De Commissie meent dat UHT met verwijzing naar de gegevens uit de KOI-viewer heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast voor het aannemen van evident geen recht. Uit de KOI-viewer blijkt dat sprake was van opvang tot en met 15 april 2014 (producties 1214008, 1214009 en 1214010). Namens belanghebbende is hier geen andersluidende informatie tegenover gezet. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening Rentevergoeding voor gemiste KOT
In de beschouwing van 1 juli 2025 stelt UHT dat de rentevergoeding voor gemiste KOT onjuist is berekend. De juiste bedragen zijn hoger: €9.144,- in plaats van €8.949,- voor 2011, €354,- in plaats van €345,- voor 2014 en €221,- in plaats van €214,- voor 2015. Dit zal in het besluit op bezwaar worden aangepast in het voordeel van belanghebbende. Omdat het bezwaar op dit punt gegrond is, wordt de vergoeding voor immateriële schade berekend tot het besluit op bezwaar en wordt de aanvullende vergoeding van 1% aangepast.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren. Gelet op de aanvullende bezwaargronden is belanghebbende het eens met de nieuwe bedragen aan rentevergoeding.

Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende betoogt dat bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade de verkeerde startdatum is gehanteerd. UHT is uitgegaan van 16 mei 2013 in plaats van 13 oktober 2011.

UHT erkent in haar aanvullende beschouwing van 11 februari 2026 dat de startdatum onjuist is. Dit moet 28 september 2011 (productie 1211023) zijn. Als einddatum wordt gehanteerd de datum van het besluit op bezwaar.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

Berekening O/GS-tegemoetkoming
In de beschouwing van 1 juli 2025 stelt UHT dat de O/GS-tegemoetkoming €8.370,-moet zijn in plaats van €7.908,-. Op de hoorzitting is dit bevestigd door UHT en niet betwist namens belanghebbende. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

De Commissie ziet geen grond voor het oordeel dat de O/GS-tegemoetkoming verhoogd zou moeten worden met €1.065,-, zoals in de aanvullende bezwaargronden wordt betoogd.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • alsnog compensatie toe te kennen wegens vooringenomenheid voor toeslagjaar 2012;
  • de rentevergoeding voor gemiste KOT aan te passen conform de beschouwing van 1 juli 2025;
  • de begindatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade voor 2011 aan te passen door als startdatum 28 september 2011 te nemen en als einddatum de datum van het besluit op bezwaar;
  • de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen;
  • de O/GS-tegemoetkoming aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter