BAC 2025-16631
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 juni 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 5 februari 2026 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 9 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 8.776,- voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 en 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008, 2009 en 2010. Nadien is in overleg met belanghebbende het verzoek uitgebreid met het jaar 2007.
- UHT heeft bij beschikking van 11 maart 2022 met kenmerk UHT CHR MGU aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2007 en 2010.
- UHT heeft bij voorlopige beslissing van 29 januari 2024 met kenmerk UHT-VCH A aan belanghebbende geen vergoeding toegekend voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 2 mei 2024 met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een voorlopige vergoeding toegekend van € 8.765 voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Dit bedrag is vanwege de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000. Voor de toeslagjaren 2007 en 2010 heeft UHT aan belanghebbende geen vergoeding toegekend.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 6 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een definitieve vergoeding toegekend voor een bedrag van € 8.776,- voor de jaren 2008 en 2009 en geen vergoeding toegekend voor de jaren 2007 en 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 augustus 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 18 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij e-mail van 29 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 5 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 11 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Op 20 februari 2026 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (LIC) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergewisplicht
Belanghebbende stelt dat UHT niet heeft voldaan aan de vergewisplicht van artikel 3:9 van de Awb nu uit de definitieve beschikking niet zou blijken dat UHT het advies van de CvW heeft getoetst.
De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie moet beoordelen of UHT zich mocht baseren op het advies van de CvW. De Commissie stelt voorop dat de CvW een adviseur is in de zin van artikel 3:5 van de Awb. UHT mag zich daarom op het advies van de CvW baseren, nadat zij zich ervan vergewist heeft dat het onderzoek dat aan het advies ten grondslag ligt, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten (artikel 3:9 Awb). De Commissie merkt op dat UHT in het bestreden besluit het advies van de CvW volledig heeft gevolgd. De Commissie ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat UHT niet aan de vergewisplicht heeft voldaan. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende voert aan dat de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2006 in onvoldoende mate inzichtelijk is gemaakt en dat de afwijzing onzorgvuldig is voorbereid.
UHT stelt in haar beschouwing dat belanghebbende in 2006 geen KOT heeft ontvangen (zie bladzijde 191 van het dossier), dat hierdoor dit toeslagjaar niet is meegenomen in de beoordeling en daarom ook niet in de bezwaarprocedure herbeoordeeld kan worden.
De Commissie concludeert dat als uit de stukken niet blijkt en ook niet op een andere manier aannemelijk is geworden dat belanghebbende in dat jaar aanspraak heeft gemaakt op KOT, dat belanghebbende voor dat jaar geen beroep op de Wet hersteloperatie toeslagen kan doen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007 en 2010
Belanghebbende voert aan dat hem ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de toeslagjaren 2007 en 2010.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel.
De terugvordering KOT over de jaren 2007 en 2010 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.
Uit het bezwaardossier blijkt dat in het jaar 2007 één neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden. Op 19 juni 2010 is de KOT verlaagd van € 9.912,- naar € 8.556,-. Deze verlaging heeft plaatsgevonden vanwege de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens, waaronder de bij het antwoordformulier van 11 november 2008 overgelegde jaaropgave van de kinderopvanginstelling.
Ten aanzien van het jaar 2010 blijkt uit het XML-bestand dat belanghebbende op
1 februari 2010 telefonisch heeft doorgegeven dat de KOT met ingang van
1 januari 2010 moest worden stopgezet. In dit bestand is tevens het BSN-nummer van belanghebbende opgenomen. Vervolgens heeft op 3 april 2012 een nihilstelling plaatsgevonden.
Daarnaast volgt uit een tweede XML-bestand dat belanghebbende de wijziging al op 17 november 2009 via MijnToeslagen had doorgegeven, waarbij de KOT per
31 december 2009 werd beëindigd. Belanghebbende heeft zelf verder niet aannemelijk gemaakt dat wél opvang heeft plaatsgevonden, heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen de nihilstelling en er zijn bovendien geen opvanggegevens beschikbaar.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de conclusie dat geen sprake is van O/GS onvoldoende controleerbaar is, omdat niet concreet is gemaakt welke systemen zijn geraadpleegd en welke zoekslagen in dit dossier zijn verricht. De Commissie stelt vast dat UHT naar aanleiding van de hoorzitting een aanvullende toelichting heeft gegeven en daarin dossiergericht heeft toegelicht dat voor de KOT over de jaren 2007 tot en met 2010 geen sprake is geweest van O/GS. UHT heeft daarbij uiteengezet dat wel sprake was van O/GS bij andere toeslagsoorten, maar niet bij de KOT, en heeft de terugvorderingsbedragen en wijze van terugbetaling per jaar toegelicht aan de hand van het LIC-overzicht en de onderliggende stukken.
Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende meer inzicht wenst in de concrete onderzoekshandelingen, is het ontbreken van een verdere specificatie van alle geraadpleegde systemen en zoekparameters in dit geval onvoldoende om de O/GS-vaststelling onzorgvuldig of ondeugdelijk gemotiveerd te achten. Daarbij weegt mee dat geen concrete aanknopingspunten zijn aangedragen waaruit blijkt dat voor de KOT wel sprake is geweest van een geweigerde betalingsregeling of schuldregeling wegens O/GS. Ook de verwijzing naar de in het dossier genoemde terugbetaling van € 13.000,- leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is onderbouwd dat dit bedrag betrekking heeft op de KOT en op een O/GS-relevante weigering. De bezwaargrond slaagt niet.
Immateriële schadevergoeding (component n)
Belanghebbende betoogt dat het forfaitaire bedrag van € 500,- per half jaar op geen enkele wijze recht doet aan de immateriële schade die door hem is geleden.
Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om geen proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proces-kostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter