Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16176

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 februari 2024 (UHT-DCHO)

Behandeling op stukken: 26 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 6 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit van 7 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen,.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 7 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 51.842 voor de toeslagjaren 2008 en 2009 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2011 en 2012.
    Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2008 en 2009 beoordeeld. Naar aanleiding van de door gemachtigde namens belanghebbende ingediende zienswijze heeft UHT tevens het toeslagjaar 2010 in de herbeoor-deling betrokken.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit van 7 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 51.842 voor de
  • toeslagjaren 2008 en 2009 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 januari 2025 schriftelijk gereageerd.
  • De Commissie heeft gemachtigde op 6 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om, indien zij dat wenst, voor 10 februari 2026 nog een aanvulling op het bezwaar in te dienen. Van die mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.
  • Op 15 januari 2026 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitterr en 2 commissieleden, heeft het bezwaar behandeld in haar vergadering van 26 februari 2026.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onderliggende stukken en persoonlijk dossier

Belanghebbende heeft verzocht om de onderliggende stukken en om inzage in haar persoonlijk dossier.

De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 7 januari 2026 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling toeslagjaren 2008 tot en met 2010

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van het bestreden besluit, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend.

Voorts zal de Commissie de vraag beantwoorden of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor het toeslagjaar 2010, af te wijzen.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2008 en 2009
De Commissie overweegt dat belanghebbende met de schriftelijke reactie van UHT op het bezwaar een nadere toelichting heeft ontvangen op de berekening van het compensatiebedrag. Daarbij is een per onderdeel uitgesplitste compensatie-berekening verstrekt, zodat belanghebbende de juistheid van de berekening heeft kunnen verifiëren. Uit wat van de zijde van belanghebbende is aangevoerd is de Commissie niet gebleken van onjuistheden die tot een hoger compensatiebedrag moeten leiden.

UHT heeft in de bijlage compensatieberekening vastgesteld dat de berekening van onderdeel o) (de rentevergoeding over gemiste KOT) voor de toeslagjaren 2008 en 2009 onjuist was, maar in het voordeel van belanghebbende uitvalt.
Daarnaast heeft UHT vastgesteld dat ook de gehanteerde start- en einddatum van de vergoeding voor immateriële schade onjuist waren, eveneens in het voordeel van belanghebbende. Gelet op het verbod van reformatio in peius heeft UHT toegezegd de compensatieberekening in stand te laten. De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening in lijn met de gedane toezegging, in stand te laten.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2010
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2010 geen KOT heeft aangevraagd. Op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht kan compensatie uitsluitend worden toegekend aan de aanvrager van KOT. Nu belanghebbende voor dit toeslagjaar geen KOT heeft aangevraagd, komt zij voor dit jaar niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Voor zover belanghebbende heeft aangevoerd dat het uitblijven van een KOT-aanvraag in 2010 het gevolg is geweest van de wijze waarop zij in de voorafgaande jaren is behandeld, en dat zij om die reden geen (geregistreerde) opvang meer heeft afgenomen, merkt de Commissie op dat deze stelling — wat daarvan ook zij — niet kan leiden tot toekenning van forfaitaire compensatie over het toeslagjaar 2010 op grond van de Wht. Ingevolge artikel 2.1, lid 3, van de Wht kan belanghebbende in een dergelijk geval evenwel een verzoek indienen om aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De Commissie zal hierna op dit punt nader ingaan.

Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend. Zij heeft daarbij met name bezwaar gemaakt tegen de wijze waarop de vergoeding voor (im)materiële schade is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in wat belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt door op 1 maart 2024 een verzoek bij de Commissie Werkelijke Schade in te dienen.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vragen bevestigend beantwoordend, om:

  • het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO ongegrond te verklaren;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter