Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16599

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 januari 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 6 februari 2026

Overdracht advies aan UHT: 6 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 17 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: de bestreden beschikking). Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2016 tot en met 2019. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is dit verzoek beperkt tot de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 januari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Bij brief van 14 maart 2025 heeft gemachtigde het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 15 mei 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaren.
  • Op 6 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Onvolledig dossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat het dossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 15 mei 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren

Beoordeling afwijzing compensatie 2017 tot en met 2019
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 af te wijzen.

De Commissie stelt het volgende voorop. Gelet op het bepaalde in artikel 2.1, lid 1, Wht, ziet de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend op de vraag of vóór 23 oktober 2019 sprake was van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), dan wel van hardheid. De Commissie stelt vast dat de definitieve beschikkingen in de toeslagjaren 2018 en 2019 buiten de reikwijdte van de Wht vallen, nu deze beschikkingen dateren van respectievelijk
7 augustus 2020 en 3 april 2021. Niet aannemelijk is geworden dat deze neerwaartse bijstellingen verband houden met een vooringenomen handelwijze van B/T van vóór 23 oktober 2019.

Ten aanzien van de overige neerwaartse bijstellingen in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van de KOT over voormelde toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen, als gevolg van diverse wijzigingen in het aantal opvanguren voor beide kinderen en wijzigingen van het toetsingsinkomen, opnieuw berekend. Naar de opvatting van de Commissie geeft het volgen van de door belanghebbende doorgegeven informatie geen blijk van vooringenomen handelen door B/T. Belanghebbende heeft haar stellingname dat B/T het heeft doen voorkomen alsof belanghebbende in de desbetreffende toeslagjaren wijzigingsverzoeken heeft ingediend, niet met bewijsstukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Ter zitting heeft UHT erop gewezen dat de meldingen uit TVS (producties 2800001 tot en met 2800004 ouderdossier) zijn aangemaakt met brontype 07 “namens burger” en met de vermelding van de persoonsgegevens van belanghebbende bij de bronidentificatie. Dit duidt erop dat de wijzigingsverzoeken door belanghebbende dan wel door een derde die zij daartoe heeft gemachtigd, zijn ingediend. Bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is het niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van ambtshalve wijzigingen door B/T. Hoewel de hiervoor genoemde wijzigingsverzoeken hebben geleid tot diverse neerwaartse bijstellingen in de toeslagjaren 2017 tot en met 2019, is uit de stukken niet gebleken dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen deze neerwaartse beschikkingen of een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Indien zij van mening was dat de KOT ten onrechte zou zijn verlaagd wegens een onverklaarbare wijziging van het aantal opvanguren, had het naar de opvatting van de Commissie in de rede gelegen dat zij daartegen actie had ondernomen. Daar komt bij dat de door de B/T toegepaste wijzigingen een gevolg zijn van de door de kinderopvanginstellingen opgestelde jaaropgaven. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verzoek om een persoonlijke betalingsregeling
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij B/T meermalen heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling toe te kennen, maar dat die verzoeken zijn geweigerd. UHT heeft gesteld dat zij geen stuk heeft aangetroffen waaruit een dergelijk verzoek blijkt. De Commissie is niet gestuit op omstandigheden die de stelling van belanghebbende aannemelijk maken. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het zorgvuldigheids- en motiverings-beginsel is geschonden. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (LIC-overzichten) - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Aangezien de Commissie zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter