BAC 2025-15908
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA
Hoorzitting: 12 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 6 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 en 2017.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 januari 2024 aan de Dienst Toeslagen toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2016 en 2017.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 en 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 2 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
19 februari 2026 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2016 en 2017 af te wijzen.
Procedurele bezwaren: schending motiverings-, zorgvuldigheids-, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een tweetal schriftelijke reacties met argumenten, Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Volgens de Commissie is het bestreden besluit voldoende onderbouwd en nader toegelicht door UHT.
De Commissie is van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Belanghebbende heeft niet concreet onderbouwd dat de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) een andere toeslagenouder, die in dezelfde situatie als belanghebbende verkeerde, gunstiger zou hebben behandeld. Ook een beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. De Commissie heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden van dusdanige onevenredige gevolgen voor belanghebbende die voortvloeien uit het bestreden besluit waar de UHT in haar belangenafweging rekening mee diende te houden.
Afgewezen toeslagjaren
Belanghebbende voert aan dat de B/T ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de betaalde studiekosten van € 650,- per maand. Haar schriftelijke bezwaar ten aanzien van de terugvorderingen is niet in behandeling genomen. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van de Raad van State (RVS) van 25 november 2025 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het niet in behandeling nemen van het bezwaar tegen de stopzetting van de KOT door de B/T een vooringenomen handeling betrof (ECLI:NL:RVS:2025:5599).
Verder is haar een terugbetalingsregeling geweigerd en is zij als leek zijnde niet op de hoogte gesteld over de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de vaststelling van haar toetsingsinkomen. Door de terugvorderingen heeft B/T het haar onmogelijk gemaakt om na haar stage in Nederland te kunnen werken, heeft de B/T kunnen weten dat terugvorderingen zouden leiden tot haar terugkeer naar Suriname en heeft de B/T misbruik gemaakt van haar recht tot terugvordering.
Deze gevolgen waren onevenredig en onbillijk. Zij doet een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht.
UHT verzet zich tegen een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1. Wht. Volgens UHT waren de verlagingen van de KOT gebaseerd op reguliere wijzigingen, werd het toetsingsinkomen vastgesteld door een inspecteur van de B/T, heeft belanghebbende geen bezwaar ingediend tegen de vaststelling van het toetsingsinkomen en ziet de Wht niet op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Met betrekking tot het niet behandelde bezwaar ten aanzien van de terugvorderingen stelt UHT zich op het standpunt dat de behandeling niet tot een ander resultaat had geleid voor belanghebbende.
De Commissie betreurt dat het bezwaar van belanghebbende niet in behandeling is genomen en dat zij zich genoodzaakt zag om naar Suriname te verhuizen. Het niet in behandeling nemen van een bezwaar kan volgens de Commissie niet per definitie als een vooringenomen handeling worden beschouwd, nu deze in onderlinge samenhang moet worden bezien met de overige specifieke omstandigheden van de situatie van belanghebbende. De Commissie is van oordeel dat belanghebbende niet in haar belangen is geschaad nu zij haar bezwaren alsnog in deze procedure naar voren heeft kunnen brengen, en waar hoor en wederhoor heeft kunnen plaatsvinden. Dat UHT tot de conclusie komt dat het bezwaar tegen de terugvorderingen niet tot een ander resultaat had geleid voor belanghebbende laat zulks onverlet.
Ook de Commissie heeft geen aanknopingspunten in het dossier kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2017 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Zij overweegt dat de B/T in haar berekeningen standaard gebruik maakt van het bruto jaarinkomen voor de vaststelling van het toetsingsinkomen zoals dat uit andere systemen van de Belastingdienst naar voren komt. Niet valt in te zien waarom de B/T de studiekosten als negatief inkomen had moeten beschouwen, nu deze kosten door belanghebbende zelf werden betaald van het salaris dat zij was overeengekomen met haar werkgever. Belanghebbende is daarbij akkoord gegaan met de betalingsafspraak over haar opleidingskosten. Daarom kan volgens de Commissie geen sprake zijn van vooringenomen handelen door de B/T. Dat belanghebbende de gevolgen hiervan niet heeft kunnen overzien en zij geen kennis had van de Nederlandse belastingregels, maakt dit niet anders.
Verder constateert de Commissie dat de terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (doorgegeven informatie van de kinderopvanginstelling (KOI) en een hoger toetsingsinkomen) opnieuw berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. De B/T mocht uitgaan van de juistheid van deze informatie. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid.
Tevens zijn er geen onterechte opzet/ grove schuld (O/GS) kwalificaties vastgesteld dan wel aanwijzingen hiervoor gevonden, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde vergoeding.
Voor de stelling dat de B/T het belanghebbende onmogelijk heeft gemaakt hier in Nederland te kunnen werken en bewust misbruik heeft gemaakt van het recht tot terugvordering, mist de Commissie een nadere onderbouwing. De bezwaren slagen niet.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter