BAC 2023-11804
Publicatiedatum 02-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 februari 2023 (UHT-DCH) en 1 maart 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 7 januari 2026 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 4 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen, compensatie wegens vooringenomen handelen over het jaar 2015 toe te kennen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 16 februari 2023 en 1 maart 2023.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend van €75.008,- voor de jaren 2007, 2008, 2009 en de maanden september tot en met december 2011 en geen compensatie toegekend voor de maanden mei tot en met augustus 2011 en de jaren 2012, 2013, 2015 en 2019 (UHT-DCH). Daarnaast is aan belanghebbende een tegemoetkoming wegens een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie toegekend van €3.110,- voor de jaren 2012 en 2015 (UHT-O OGS B, hierna: O/GS-tegemoetkoming).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de herbeoordeling plaatsgevonden over de jaren 2007 tot en met 2009, 2011 tot en met 2013, 2015 en 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden mei tot en met augustus 2011 en de jaren 2012, 2013, 2015 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
- UHT heeft bij besluit van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van €75.008,- voor de jaren 2007, 2008, 2009 en de maanden september tot en met december 2011 en geen compensatie toegekend voor de maanden mei tot en met augustus 2011 en de jaren 2012, 2013, 2015 en 2019.
- UHT heeft daarnaast bij besluit van 1 maart 2023 met kenmerk UHT-O OGS-B (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van €3.110,- voor de jaren 2012 en 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 februari 2023, ingekomen op 16 februari 2023, tegen het bestreden besluit van 16 februari 2023 een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft voorts bij brief van 1 maart 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen het bestreden besluit van 1 maart 2023 een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 februari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft in een tweetal e-mailberichten van 5 en 6 januari 2026 de bezwaargronden aangevuld.
- Op 7 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 21 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend en daarbij een drietal bijlagen overgelegd. Gemachtigde heeft daar op 4 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
UHT heeft gedurende deze procedure een ouderdossier overgelegd en bijbehorende producties. De Commissie overweegt dat belanghebbende daarmee beschikt over de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Compensatie 2007, 2008, 2009 en 2011
Compensatieberekening
UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatie-berekening nagerekend en vastgesteld dat die berekening op enkele punten onjuist is geweest. Component i in de compensatieberekening over toeslagjaar 2007 is onjuist. Omdat deze fout in het voordeel van belanghebbende is, wordt dit niet aangepast.
Daarnaast is component m in de compensatieberekening over de toeslagjaren 2007 en 2008 onjuist berekend. Het juiste bedrag moet zijn €1.674,- voor zowel 2007 als 2008. Verder is de toeslagrente over gemiste KOT, component o in de compensatieberekening, onjuist berekend. De juiste bedragen moeten zijn
€ 8.409,- (2007), € 4.963,- (2008) en € 1.338,- (2011). Omdat de berekening van deze component over toeslagjaar 2009 in het voordeel van belanghebbende is, wordt dit niet aangepast. Nu het bezwaar van belanghebbende om deze reden deels gegrond is, dient de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast.
Compensatie wegens hardheid mei tot en met augustus 2011
UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing uiteen gezet dat belanghebbende aanspraak maakt op compensatie wegens hardheid over de maanden mei tot en met augustus 2011. In de nadere schriftelijke beschouwing van 21 januari 2026 heeft UHT desgevraagd een compensatieberekening gemaakt. Gemachtigde heeft in haar reactie van 4 februari 2026 aangegeven hiermee in te stemmen.
De Commissie neemt van het vorenstaande met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven.
Afwijzing compensatie 2012, 2013 en 2015
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden compensatie voor de jaren 2012, 2013 en 2015 heeft afgewezen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel.
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende voert aan, samengevat, dat over 2012 de KOT niet aan belang-hebbende is betaald maar zij wel KOT heeft moeten terugbetalen. De KOT is betaald aan de gemeente Spijkenisse. Volgens belanghebbende is dit vergelijkbaar met de “KOT-naar-KOI”-situatie. Zij verzoekt om compensatie. Belanghebbende voert in dit verband tevens aan dat zij een eigen bijdrage heeft betaald.
In haar aanvullende beschouwing heeft UHT hierop gereageerd en, samengevat, aangevoerd dat de betaling aan de gemeente niet is gelijk te stellen aan de “KOT-naar-KOI”-situatie. Bij betaling van KOT aan de gemeente is veelal sprake van budgetbeheer. De gemeente is een overheidsinstelling en B/T mocht ervan uitgaan dat in het geval de KOT op verzoek van de ouder wordt betaald aan de gemeente, laatstgenoemde de KOT niet onrechtmatig onder zich houdt.
De Commissie overweegt dat uit de voorhanden stukken, meer specifiek het betaal- en verrekenoverzicht 2012 (pagina 219 ouderdossier), inderdaad blijkt dat de KOT is betaald aan de gemeente Spijkenisse. Dat is gedaan op verzoek van belanghebbende, nu sprake was van budgetbeheer, en ligt daarmee naar het oordeel van de Commissie voor de hand. Aanwijzingen dat de gemeente Spijkenisse de KOT onder zich heeft gehouden, zonder dit te besteden voor betaling van de opvangkosten, zijn in het dossier niet gevonden. Bij deze stand van zaken moet het ervoor worden gehouden dat de betaling aan de gemeente Spijkenisse is gedaan uit hoofde van budgetbeheer en dat deze feitelijke situatie wezenlijk verschilt van en daarom ook niet gelijk te stellen is aan de “KOT-naar-KOI”-situatie. Van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel is gelet hierop niet gebleken. Dit bezwaar en ook het daarmee verband houdende beroep op de door belanghebbende betaalde eigen bijdrage kan daarom niet slagen.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende betoogt dat zij in aanmerking komt voor compensatie over het jaar 2013. Zij voert aan, met verwijzing naar pagina 11 van de tijdlijn (te vinden op pagina 29 ouderdossier) dat er vraagbrieven zijn verzonden met een boeteaankondiging (brieven van 9 september en 29 november 2014).
Gevraagd naar een toelichting op deze gang van zaken heeft UHT in haar nadere schriftelijke reactie uiteen gezet, aan de hand van de bijlagen 2 en 3, dat de vraagbrieven niet daadwerkelijk zijn verzonden. Er is ook geen boete aan belanghebbende opgelegd.
De Commissie meent dat met deze toelichting dit punt voldoende is opgehelderd.
De Commissie heeft verder op grond van de voorhanden stukken vastgesteld dat over toeslagjaar 2013 de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste bijstelling is het gevolg van een door (of namens) belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 28 februari 2013 (productie 77 bezwaardossier). De tweede neerwaartse bijstelling is het gevolg van een hoger toetsingsinkomen. Dat zijn beide reguliere wijzigingen. Van vooringenomen handelen of hardheid is niet gebleken. Op dit onderdeel is het bezwaar ongegrond.
Toeslagjaar 2015
Belanghebbende voert aan dat zij gecompenseerd moet worden omdat B/T over het jaar 2015 is uitgegaan van de aangeleverde informatie in het antwoordformulier, meer concreet het uurtarief van €0,26. Dit uurtarief is overduidelijk niet juist en B/T heeft zonder uitvraag te doen bij belanghebbende deze informatie overgenomen.
Belanghebbende werd als gevolg hiervan geconfronteerd met hoge terugvorderingen.
Volgens UHT mocht B/T uitgaan van de door belanghebbende aangeleverde informatie, ook al is dat uurtarief niet juist. Er is volgens UHT sprake van menselijk handelen.
Belanghebbende kon daartegen in bezwaar gaan of vragen om herziening, maar dat heeft zij niet gedaan.
De Commissie overweegt dat, uitgaande van de gangbare uurtarieven voor KOT over het jaar 2015, die schommelen tussen €5,00 en €6,00, het voor B/T evident moet zijn geweest dat de aangeleverde informatie met daarop een uurtarief van €0,26 niet juist kon zijn. Het was een zodanig onwaarschijnlijk laag bedrag dat B/T in deze situatie redelijkerwijs had behoren te twijfelen aan die informatie en had aanleiding moeten vormen om uitvraag te doen bij belanghebbende. Dat is niet gebeurd.
De Commissie meent dat B/T met deze gang van zaken vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende en dat zij daarvoor gecompenseerd moet worden. Op dit onderdeel is het bezwaar gegrond.
Fraude Signalering Voorziening (FSV) en opzet/grove schuld (O/GS)
Belanghebbende heeft tot slot aangevoerd dat ten aanzien van de jaren 2011, 2013 en 2014 geen O/GS is vastgesteld terwijl belanghebbende wel op de zogeheten FSV-lijst is opgenomen. Daar komt nog bij dat een nadere toelichting of onderbouwing van die FSV-vermelding ontbreekt. Belanghebbende verzoekt daarnaast om overlegging van alle onderliggende O/GS-stukken.
UHT heeft in haar nadere schriftelijke reactie aangevoerd dat belanghebbende weliswaar op een FSV-lijst stond maar dat dit verder geen verband houdt met een O/GS-kwalificatie. Voor wat betreft de jaren waarin geen O/GS is vastgesteld volstaat UHT met die vaststelling. Verzoeken die zien op verstrekking van de onderliggende stukken O/GS-stukken zijn ‘gepauzeerd’, aldus UHT.
De Commissie stelt vast dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende is opgenomen op de FSV-lijst. Evenwel, dat belanghebbende als gevolg van opname op de FSV-lijst enig extra nadeel heeft ondervonden, anders dan het nadeel waarvoor zij reeds is gecompenseerd, heeft de Commissie niet kunnen herleiden uit de voorhanden zijnde stukken.
Voor wat betreft de onderliggende O/GS-stukken overweegt de Commissie dat tussen partijen vaststaat dat aan belanghebbende een tegemoetkoming wegens een onterechte O/GS-kwalificatie is toegekend van €3.110,- voor de jaren 2012 en 2015 en voor de overige jaren niet omdat over die jaren niet is gebleken van een dergelijke kwalificatie. Dat belanghebbende er belang bij heeft om, gegeven dit uitgangspunt, alle stukken in handen te hebben op grond waarvan tot dit oordeel is gekomen, is begrijpelijk.
Belanghebbende dan wel haar gemachtigde kan haar verzoek om verstrekking van alle onderliggende O/GS-stukken indienen bij het onderdeel van B/T dat hiermee belast is (CAP B&I). Dit bezwaar van belanghebbende kan daarom niet slagen.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar deels gegrond is en zal moeten leiden tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH te herroepen en om:
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- een compensatie wegens hardheid toe te kennen over de maanden mei tot en met augustus 2011;
- een compensatie wegens vooringenomen handelen over het jaar 2015 toe te kennen;
- component m vast te stellen op €1.674,- (2007 en 2008);
- component o vast te stellen op €8.409,- (2007), €4.963,- (2008) en €1.338,-(2011);
- De einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
- De aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter