BAC 2025-16706
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 januari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 19 januari 2026 om 15:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 26 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHOA, hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2020. Dit verzoek is later aangepast naar de jaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij besluit van 14 februari 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
- Belanghebbende heeft bij brief van 19 januari 2024, ingekomen op 23 januari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 4 februari 2025 en 14 maart 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 2 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift
- Op 19 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2018 op de juiste wijze heeft berekend.
Schending zorgvuldig- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie is van oordeel dat UHT eventuele gebreken in voorbereiding en/of motivering kan herstellen aan de hand van hetgeen de Commissie hierover in haar beschouwing heeft opgemerkt, en dat UHT dit ook heeft gedaan.
Afwijzing compensatie toeslagjaar 2018
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2018, omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen zou hebben gehandeld dan wel omdat sprake is van hardheid.
De Commissie stelt vast dat de KOT voor 2018 automatisch is gecontinueerd. Naar aanleiding van een uitvraag heeft belanghebbende op 31 mei 2018 stukken aangeleverd. Uit de overgelegde jaaropgave 2017 blijkt dat in dat jaar uitsluitend in september van dat jaar kinderopvang is afgenomen. In aanvulling daarop heeft B/T telefonisch contact gehad met de kinderopvanginstelling [naam], waarbij is bevestigd dat ook in januari en februari 2018 geen opvang is genoten. UHT heeft daarnaast contact gezocht met belanghebbende, die heeft bevestigd dat in de maanden oktober tot en met december 2017 geen opvang is genoten.
Op basis van deze informatie heeft B/T de KOT voor 2018 verlaagd. Het verwerken van (door de opvanginstelling bevestigde) opvanggegevens is naar het oordeel van de Commissie in beginsel niet vooringenomen, tenzij B/T op het moment van besluitvorming beschikte over concrete contra-informatie die aanleiding gaf tot twijfel aan die gegevens. Dergelijke contra-informatie is niet aannemelijk geworden. De enkele omstandigheid dat de verlaging is gebaseerd op informatie van de opvanginstelling, brengt daarom geen vooringenomen handelen mee.
Voor zover belanghebbende zich beroept op schending van het beginsel van hoor en wederhoor, geldt dat B/T niet gehouden was belanghebbende eerst te horen, nu de verlaging berustte op verifieerbare gegevens en er geen aanwijzingen waren dat deze onjuist waren. Daarbij weegt mee dat uit de systemen niet blijkt dat belanghebbende de KOT voor januari en februari 2018 heeft gewijzigd of beëindigd; er zijn alleen wijzigingen met ingangsdatum 1 maart 2018 geregistreerd. Ook is niet gebleken dat belanghebbende destijds bezwaar heeft gemaakt tegen de verlaging.
De Commissie overweegt verder dat de bijstellingen over toeslagjaar 2018 overeenkomstig de toen geldende wettelijke regels zijn uitgevoerd. Dergelijke reguliere bijstellingen leveren in beginsel geen aanspraak op compensatie op grond van hardheid op. De Commissie ziet in de stukken geen aanknopingspunten om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Evenmin is sprake van een (onterechte) kwalificatie wegens opzet of grove schuld, zodat ook op die grond geen aanspraak op een tegemoetkoming bestaat. De Commissie adviseert UHT het bezwaar, voor zover het ziet op toeslagjaar 2018, ongegrond te verklaren.
Afwijzing persoonlijke betalingsregeling
Belanghebbende voert aan dat haar verzoek om een persoonlijke betalingsregeling door B/T is afgewezen. De Commissie stelt vast dat belanghebbende op 1 april 2019 bij B/T heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. B/T heeft daarop bij brief van 24 april 2019 gereageerd. In die brief is vermeld dat kwijtschelding niet mogelijk is, maar dat geen invorderingsmaatregelen zullen worden genomen omdat belanghebbende onvoldoende betalingscapaciteit heeft. De schuld blijft daarmee administratief bestaan, maar belanghebbende hoeft niet (actief) te betalen. Tevens is in de brief opgenomen dat B/T gedurende drie jaar na dagtekening eenmalige teruggaven (toeslagen en inkomstenbelasting) kan verrekenen met de openstaande schuld; periodieke toeslagen worden niet verrekend. Naar het oordeel van de Commissie kan deze brief niet worden aangemerkt als een afwijzing van een persoonlijke betalingsregeling. De brief bevat immers geen besluit tot invordering of afwijzing van een betalingsfaciliteit, maar juist de mededeling dat invordering achterwege blijft wegens ontbrekende betalingscapaciteit, met een beperkte verrekeningsmogelijkheid voor eenmalige teruggaven. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende ook feitelijk geen terugbetalingen heeft gedaan, terwijl als er wel een betalingsregeling was toegekend, belanghebbende substantiële bedragen had moeten terugbetalen. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikking in stand te houden;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter