BAC 2025-15786
Publicatiedatum 02-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 november 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 3 maart 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 6 november 2023 (UHT-DCHA), hierna: het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit aangepast naar de jaren 2012 en 2013.
- UHT heeft bij brief van 18 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 december 2023, ingekomen op 6 december 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft per e-mail van 29 januari 2026 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 30 januari 2026 schriftelijk gereageerd op de e-mail van gemachtigde.
- Op 2 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 februari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op
22 februari 2026 op gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten.
UHT heeft op 2 oktober 2025 het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” (hierna: LIC) en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Equality of Arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms als bedoeld in artikel 6 EVRM. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Pas in de fase van beroep kan een beroep op artikel 6 EVRM worden gedaan.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 2 oktober 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op het bezwaar betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Automatische voortzetting
In haar bezwaar voert belanghebbende aan dat zij in de problemen is gekomen door de automatische continuatie van de KOT in het toeslagjaar 2013.
Volgens belanghebbende heeft de Belastingendienst/Toeslagen (hierna: B/T) destijds onzorgvuldig gehandeld en dient B/T ouders die KOT ontvangen te beschermen voor liquiditeitsproblematiek vanwege eventuele terugbetalingen en (latere) verrekeningen.
Het is voor de Commissie duidelijk dat de B/T destijds op basis van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) de KOT automatisch heeft verlengd. In artikel 15 lid 5 Awir staat dat een aanvraag voor KOT wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende toeslagjaren.
Als een ouder KOT aanvraagt voor een bepaald toeslagjaar, dan is dat automatisch ook een aanvraag voor daaropvolgende toeslagjaren. Op grond van artikel 15 lid 6 Awir mag B/T de automatische verlenging van KOT voor opvolgende toeslagjaren ook niet zomaar stoppen.
Indien voor een ouder die KOT heeft aangevraagd bepaalde omstandigheden wijzigen – bijvoorbeeld meer of minder opvanguren worden afgenomen; een wijziging van het opvangtarief; een lager of hoger toetsingsinkomen – dan is die ouder gehouden zelf deze gewijzigde omstandigheden door te geven aan B/T.
Op grond van artikel 15 lid 2 Awir dient de aanvrager van KOT de voor de beslissing op de aanvraag benodigde informatie duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te verstrekken. In het geval van belanghebbende was het besluit tot automatische continuatie voor het jaar 2013 genomen voordat B/T op 23 januari 2013 besloot tot stopzetting van de KOT. Als gevolg daarvan is een terugvordering van KOT over 2013 ontstaan. Dit is een gevolg van de wijziging, maar ook het effect van de uit de Awir voortvloeiende automatische continuatie.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Verrekeningen en beslagvrije voet
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat B/T ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij de terugvorderingen over de jaren 2015 tot en met 2019.
De Commissie overweegt dat bij verrekening van of beslag op toeslagen tot
1 januari 2021 ingevolge artikel 4:93 lid 4 Awb in combinatie met artikel 475c onderdeel j Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) tot 1 januari 2021 in het geheel geen beslagvrije voet van toepassing was. Vanaf 1 januari 2021 worden in de wettelijke regeling de toeslagen wél meegenomen in de beslagvrije voet (artikel 475c onderdeel j Rv), met uitzondering van de KOT. De KOT is namelijk niet bedoeld als inkomensvoorziening maar voor het bevorderen van de arbeidsparticipatie. Dit in tegenstelling tot andere toeslagen, waarnaar in de Kamervragen wordt verwezen. De beslagvrije voet is dus geen belemmering voor het verrekenen van terugvorderingen KOT.
De Commissie is daarnaast van opvatting dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad.
De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd.
Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.
Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Aan de bezwaargrond dat B/T bij de terugvorderingen en verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen vooringenomen handelen of hardheid
B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken. Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de eerste aanpassing van de KOT voor het toeslagjaar 2012 is gebaseerd op deze gegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
Voor toeslagjaar 2012 geldt dat de eerste verlaging is gebaseerd op het toen geldende wetsartikel 1.1a lid 5 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Op basis van dit wetsartikel had een ouder over de berekeningsjaren 2012 en volgende geen aanspraak op KOT over de periode tot de eerste dag van de kalendermaand voor de datum waarop de aanvraag om KOT is ingediend bij B/T. Nu de aanvraag in augustus 2012 is gedaan, zou een eventueel recht op KOT pas per 1 juli 2012 aanvangen.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de eerste aanpassing van de KOT voor de toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Evident geen recht
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden juli tot en met december 2012 en toeslagjaar 2013.
Voor toeslagjaar 2012 geldt dat belanghebbende in die periode een toeslagpartner had en deze toeslagpartner destijds niet als doelgroeper als bedoeld in artikel 1.6 Wet Kinderopvang1 (hierna: Wko) kon worden aangemerkt. De stelling van gemachtigde dat de toeslagpartner van belanghebbende werkzaam was als zzp’er wordt niet met enig begin van bewijs aannemelijk gemaakt. In de systemen van B/T zijn ook geen aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 2012 en 2013 gevonden of andere indicaties dat deze partner inkomsten heeft gehad.
Evenmin is een inschrijving bij de Kamer van Koophandel gevonden op naam van de toeslagpartner. Hiermee voldoet de toeslagpartner niet aan de eis van artikel 1.6 lid 3 sub a van de Wko.
Voor de maanden juli tot en met december van toeslagjaar 2012 kon belanghebbende zelf ook niet als doelgroeper worden aangemerkt. Tot begin maart 2012 volgde belanghebbende een re-integratietraject waardoor zij op grond van artikel 1.6 lid 5 Wko hoogstens tot en met juni 2012 eventueel aanspraak zou hebben kunnen maken op KOT.
Het voorgaande geldt ook voor de maand januari van toeslagjaar 2013.
Eind januari 2013 is belanghebbende verhuisd van Breda naar Rotterdam.
Van eind januari 2013 tot juli 2013 stond belanghebbende echter niet ingeschreven in de Nederlandse Basisregistratie Personen (Hierna: BRP) waardoor zij ook gedurende deze periode niet voldeed aan de eisen van artikel 1.6 Wko.
Na de verhuizing van Breda naar Rotterdam heeft belanghebbende geen wijzigingen doorgegeven wat betreft de kinderopvang, zoals bijvoorbeeld de kinderopvanginstelling of het aantal opvanguren. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij na haar verhuizing wel kwalificeerde als doelgroeper in de zin van artikel 1.6 Wko.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter