Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15923

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 december 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 20 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 23 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 december 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 30 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2016 en 2017. Dit is aangepast naar de jaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 7 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 op grond van de zogenaamde Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 november 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 januari 2024, ingekomen op 4 januari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 14 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 20 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal allereerst ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Het ontbreken van het volledig persoonlijk dossier;
  • Schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel;
  • Schending artikel 6 EVRM ‘equality of arms’;
  • Geen rekening gehouden met beslagvrije voet;
  • De ontbrekende jaren 2009, 2011, 2012, 2015, en 2016.

De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie oordeelt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking niet inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige wijze heeft gemotiveerd en dat UHT het daaraan ten grondslag liggende onderzoek voldoende zorgvuldig heeft uitgevoerd. Met de beschouwing van 14 juli 2025 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van het LIC-overzichten en het SAS-rapport en overige relevante stukken.

Deze documenten maken onderdeel uit van de onderliggende stukken. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’

De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende stelt dat B/T bij haar beslissingen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Omdat B/T wel beschikte over alle gegevens om de beslagvrije voet te kunnen berekenen en toe te passen, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat met betrekking tot de in het geding zijnde toeslagjaren sprake is geweest van hardheid.

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die over de betreffende berekeningsjaren aan de KOT zijn gegeven. Het verrekenen van bedragen, die terecht zijn teruggevorderd biedt geen grondslag voor compensatie op grond van hardheid. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en uit de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie als bedoeld in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: “…Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen.” (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De ontbrekende jaren 2009, 2011, 2012, 2015, en 2016

Belanghebbende heeft verzocht om de toeslagjaren 2009, 2011, 2012, 2015, en 2016 te betrekken bij de beoordeling. De Commissie merkt op dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht alleen compensatie wordt toegekend aan de aanvrager van KOT. Voor deze toeslagjaren voldoet belanghebbende niet aan dit vereiste, waardoor hij niet voor compensatie in aanmerking komt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

KOT naar KOI

Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling werd uitbetaald. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de KOT ten onrechte bij haar is teruggevorderd. De Commissie overweegt als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500 is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500 teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie oordeelt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor de jaren 2014, 2017 en 2018 in haar beschouwing nader toegelicht. Voor deze jaren is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan € 1.500. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

De Commissie heeft in de stukken en bij datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt aangevoerde bezwaar treft dan ook geen doel.

Reguliere bijstellingen

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2017 tot en met 2019 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter