BAC 2025-16113
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 24 oktober 2024 (UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 29 januari 2026 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 19 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-HD CWS, met inachtneming van dit advies, te wijzigen. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 118.961.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2013.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 28 december 2021 (UHT-VC I) aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 58.901. - UHT heeft bij beschikking van 5 mei 2022 (UHT-DC I) aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag toegekend van € 59.146 wegens vooringenomenheid over toeslagjaar 2010, de maanden juni tot en met december 2012 en de maanden januari en februari 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 5 mei 2022 (UHT-DC-I A) aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2011,
de maanden januari tot en met mei 2012 en de maanden maart tot en met december 2013 wegens vooringenomenheid. - UHT heeft bij beschikking van 5 mei 2022 (UHT-DH5A) aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2011,
de maanden januari tot en met mei 2012 en de maanden maart tot en met december 2013 wegens hardheid. - UHT heeft bij beschikking van 25 juli 2022 (UHT-O OGS B) aan belanghebbende een tegemoetkoming ter hoogte van € 1.301 toegekend wegens een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) over toeslagjaar 2012.
- Belanghebbende heeft op 23 september 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor haar werkelijke schade.
- De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek op 11 oktober 2024 aan UHT toegestuurd.
- UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking van
24 oktober 2024, met kenmerk UHT-HD CWS, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €118.961. - Gemachtigde heeft bij op 24 januari 2025 bezwaar ingediend tegen de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS.
- Gemachtigde heeft per e-mail van 15 maart 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 3 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- UHT heeft op 22 januari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend gebaseerd op het gewijzigde schadekader van CWS van 22 december 2025.
- Op 29 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie stelt ten aanzien van de door haar te verrichten toetsing van het bestreden besluit van UHT het volgende voorop.
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt het kabinet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1 lid 3 Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld.
De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich volgens vaste jurisprudentie op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarbij is van belang dat het advies past binnen de door CWS vastgelegde beleidskaders.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die afwijkt van het advies van de CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden en of CWS het civiele schadevergoedingsrecht juist heeft toegepast.
De Commissie zal hieronder de door belanghebbende ingediende bezwaren tegen de berekening van CWS, die door UHT is gevolgd, bespreken.
Nieuw schadekader
Voordat hiertoe wordt overgegaan, merkt de Commissie op dat CWS een nieuw schadekader heeft ontwikkeld. Op 22 december 2025 heeft CWS dit kader gepubliceerd. De Commissie stelt vast dat UHT de vraag of dit nieuwe beleid van invloed is op de schadeposten in deze zaak en of dit tot een andere uitkomst moet leiden, heeft betrokken in de beoordeling van het bezwaar zoals uiteengezet in de aanvullende schriftelijke beschouwing van UHT van 22 januari 2026. Dat heeft erin geresulteerd dat UHT persisteert in haar stelling dat aan belanghebbende geen aanvullende werkelijke schade toekomt.
Vervangende opvangkosten 2012-2013
Belanghebbende stelt dat ten onrechte is geoordeeld dat zij reeds volledig is gecompenseerd en daarom geen recht op een aanvullende vergoeding op dit punt. Zij stelt dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de toeslagjaren 2012 en 2013 aanzienlijke kosten heeft moeten maken voor vervangende opvang door familieleden. Dit was volgens belanghebbende het gevolg van het feit dat zij geen KOT meer ontving. Deze kosten, ter hoogte van € 10.800, zijn daadwerkelijk betaald en gebaseerd op feitelijke opvang. De afwijzing doet volgens haar geen recht aan de werkelijk gemaakte kosten en zou moeten worden herzien.
CWS heeft in haar advies geoordeeld dat belanghebbende voor toeslagjaar 2012 voor eventueel gemaakte vervangende opvangkosten in deze periode is gecompenseerd via de definitieve compensatiebeschikking. Voor toeslagjaar 2013 geldt dat belanghebbende vanaf 27 januari 2013 geen recht meer had op KOT omdat zij niet werkte en geen re-integratie-traject volgde. Er bestaat alleen recht op vergoeding van de kosten van vervangende opvang voor zover de ouder, als de problemen met de kinderopvangtoeslag er niet waren geweest, aanspraak zou hebben kunnen maken op kinderopvangtoeslag.
De Commissie acht het advies van CWS op dit punt begrijpelijk en zorgvuldig tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Commissie mocht UHT dit advies opvolgen. Zij adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Verkoop Cartier-ketting
Belanghebbende stelt dat de toegekende vergoeding van de verkoop van haar sieraden ter hoogte van € 2.000 onvoldoende is en geen recht doet aan de daadwerkelijke schade. Zij heeft een Cartier-ketting moeten verkopen om in haar levensonderhoud te voorzien. Deze ketting had een waarde van € 5.500.
Volgens belanghebbende is onvoldoende rekening gehouden met haar bewijsnood en had haar verklaring, gelet op het ruimhartigheidsbeginsel, als uitgangspunt moeten dienen. Zij acht de schade ten onrechte slechts gedeeltelijk vergoed.
CWS heeft in haar advies geoordeeld dat zij op basis van de informatie die belanghebbende heeft aangeleverd, niet kan vaststellen dat de ketting onder de marktwaarde is verkocht en dat belanghebbende daardoor schade heeft geleden. Belanghebbende heeft, hoewel de CWS heeft verzocht om nadere informatie, geen informatie verstrekt over de ketting, zoals foto’s, een omschrijving, informatie over het gewicht of het aantal karaat, en informatie over de periode van verpanding/verkoop van de ketting. Bij ontbreken van concrete informatie over de verkoop van de sieraden en de gemiste waardestijging, kent de CWS een vast bedrag (inclusief wettelijke rente) toe.
De Commissie acht het advies van CWS op dit punt begrijpelijk en zorgvuldig tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Commissie mocht UHT dit advies opvolgen. Zij adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Kosten van leningen en schulden
Belanghebbende stelt dat ten onrechte is geoordeeld dat onvoldoende bewijs bestaat voor de door haar betaalde rente en bijkomende kosten. Zij heeft toegelicht een lening van € 1.000 te hebben afgesloten waarover zij 15% rente per maand betaalde. Deze lening hield direct verband met de KOT-problematiek.
De afwijzing miskent volgens haar de werkelijke financiële gevolgen en had moeten leiden tot vergoeding van het opgevoerde bedrag van € 3.700.
CWS heeft in haar advies geoordeeld dat de hoofdsom van een lening op zichzelf niet als schade wordt gekwalificeerd omdat hier een tegenprestatie (het geldbedrag) tegenover stond. CWS heeft vervolgens geadviseerd dat de hoofdsom van de lening van € 1.000 niet voor vergoeding in aanmerking komt. Voor wat betreft de rente en bijkomende kosten is CWS uitgegaan van het toelichtingsgesprek met belanghebbende waarin deze heeft aangegeven dat zij niet is staat was om de rente te betalen en uiteindelijk alleen de hoofdsom van de lening heeft betaald.
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat belanghebbende meerdere leningen had. Voor in ieder geval één daarvan, een lening van € 1.000 bij een particuliere geldschieter, heeft belanghebbende ook al in het toelichtingsgesprek bevestigd dat zij over een periode van ruim een jaar een rente heeft betaald van € 150 per maand. Pas toen zij dit niet meer kon opbrengen, is afgesproken dat belanghebbende de lening in vier gelijke delen mocht terugbetalen zonder verdere rente verschuldigd te zijn.
De Commissie volgt het advies van CWS op dit punt niet. Het advies van CWS gaat immers uit van de gedachte dat geen rente is betaald, terwijl uit het door CWS zelf opgestelde gespreksverslag blijkt dat er wel rente is betaald en wel over een langere periode tot een bedrag van € 150 per maand. De Commissie acht dit bedrag per maand bij een hoofdsom van € 1.000 exorbitant, maar dat betekent niet dat compensatie geheel achterwege moet blijven. UHT had het advies van CWS op dit punt naar het oordeel van de Commissie niet op mogen volgen.
Zij adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en het bestreden besluit op dit punt te herroepen. De Commissie adviseert het geldende schadekader te hanteren en aldus overeenkomstig hetgeen UHT tijdens de hoorzitting heeft gesteld alsnog een bedrag van in totaal € 200 met betrekking tot deze bezwaargrond toe te kennen.
Studiekosten wegens vertraging
Belanghebbende stelt dat ten onrechte is geoordeeld dat zij haar extra studiekosten onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft meerdere opleidingen moeten staken en studievertraging opgelopen doordat zij geen kinderopvang meer kon bekostigen. Dat zij geen exacte bedragen meer kan overleggen, mag volgens belanghebbende geen reden zijn om de schadepost af te wijzen. In lijn met het ruimhartigheidsbeginsel had een passende vergoeding moeten worden toegekend.
CWS heeft in haar advies geoordeeld dat belanghebbende, ondanks vragen hierover van de CWS, niet heeft toegelicht waaruit de schade zou bestaan.
Een bedrag werd in het verzoek (en ook nu in bezwaar) niet genoemd. Bij gebrek aan verdere aanknopingspunten heeft CWS geadviseerd dat het onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van schade in de vorm van (betaalde) kosten en/of een aangevangen studie die vanwege de problemen met de KOT niet (tijdig) kon worden afgerond dan wel moest worden stopgezet.
De Commissie acht het advies van CWS op dit punt begrijpelijk en zorgvuldig tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Commissie mocht UHT dit advies opvolgen. Zij adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Inkomensschade
Belanghebbende stelt dat de vastgestelde inkomensschade van € 78.877 geen recht doet aan het daadwerkelijke verlies, terwijl zij een verlies aan toekomstig inkomen van € 724.068,24 heeft onderbouwd. Door het ontbreken van kinderopvang heeft zij haar carrière niet kunnen voortzetten en heeft zij structureel inkomens- en pensioenschade geleden. De door de CWS gehanteerde berekening is volgens haar onvolledig en onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende verzoekt om een herberekening van deze post.
In haar advies acht de CWS het aannemelijk dat belanghebbende inkomensschade heeft geleden als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag. CWS heeft gekeken naar de inkomensgegevens van belanghebbende over de periode 2009 tot en met 2022. CWS acht het aannemelijk dat de neerwaartse inkomensontwikkeling verband houdt met de problemen met de kinderopvangtoeslag. Vervolgens heeft CWS de inkomensschade laten begroten door een externe rekenkundige met als uitgangspunt dat alleen de periode tot en met 2021 voor vergoeding in aanmerking komt. In december 2021 heeft belanghebbende de voorlopige compensatiebeschikking van UHT ontvangen en vanaf dat moment kan worden aangenomen dat zij weer voldoende zekerheid had om opnieuw kinderopvangtoeslag aan te vragen en weer meer te gaan werken, aldus CWS.
De inkomensschade is door CWS (en de extern rekenkundige) berekend door een vergelijking te maken tussen het gemiddelde jaarinkomen dat de ouder had in de periode 2009 en 2010 en het inkomen dat de ouder had vanaf 2013 tot en met 2021. Het verschil tussen het werkelijke netto-inkomen in de periode 2013 tot en met 2021 en het gemiddeld netto-inkomen over 2009 en 2010, vermeerderd met wettelijke rente, ziet de CWS als schade.
De Commissie acht het advies van CWS op dit punt begrijpelijk en zorgvuldig tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Commissie mocht UHT dit advies opvolgen. Zij adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Wel geeft de Commissie aan UHT (en CWS) voor toekomstige gevallen ter overweging mee dat het moment, waarop een belanghebbende als gedupeerde is aangemerkt niet altijd als (harde) einddatum van de berekening kan dienen.
Gelet op alle omstandigheden van het geval zou dit wel een rol moeten spelen maar niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen beslissend moeten zijn. In het onderhavige geval neemt de Commissie de omstandigheid mee dat belanghebbende al enkele jaren voordat zij als gedupeerde werd aangemerkt beperkt inzetbaar was geworden voor de arbeidsmarkt door de geboorte van haar jongste kinderen in 2019 en 2020. Deze laatste omstandigheid heeft mede tot gevolg dat de Commissie in de onderhavige kwestie tot het oordeel komt dat het advies van CWS op het punt van het niet in aanmerking nemen van de jaren na 2021 aan belanghebbende voldoende tegemoet komt.
Kosten van vrije dagen en reiskosten
Belanghebbende stelt dat het forfaitaire bedrag van € 1.100 te laag is vastgesteld. Zij heeft aanzienlijk meer kosten moeten maken door het opnemen van vrije dagen en het reizen naar afspraken met instanties en in het kader van juridische procedures. Deze kosten komen volgens het schadekader voor vergoeding in aanmerking en zijn onvoldoende meegenomen.
De CWS hanteert voor verletkosten voor regelzaken per huishouden een vaste vergoeding van € 300 per toeslagjaar waarvoor de UHT compensatie heeft toegekend. Daarnaast is er een vaste vergoeding van € 200 per huishouden per gevoerde procedure. Deze bedragen zijn inclusief eventuele reiskosten en inclusief wettelijke rente. Op basis van drie (3) toegewezen toeslagjaren (2010, 2012 en 2013) en één bezwaarprocedure in 2012 komt CWS tot een bedrag van € 1.100.
De Commissie acht het advies van CWS op dit punt begrijpelijk en zorgvuldig tot stand gekomen. Naar het oordeel van de Commissie mocht UHT dit advies opvolgen. Zij adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Immateriële schade en de aanvullende schriftelijke beschouwing
CWS heeft geadviseerd om een aanvullende immateriële schadevergoeding toe te kennen. UHT heeft dit advies in het bestreden besluit gevolgd. Gedurende deze bezwaaradviesprocedure heeft UHT in een aanvullende beschouwing van
22 januari 2026 de begroting uit de oorspronkelijke beschikking getoetst aan het per 22 december 2025 gewijzigde schadekader dat door CWS wordt gehanteerd.
Op grond van dit gewijzigde schadekader zou UHT een lager bedrag aan aanvullende immateriële schadevergoeding toekennen. In verband met het verbod op verandering naar een slechtere positie op grond van artikel 7:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt de berekening niet aangepast, aangezien dit in het nadeel zou zijn van belanghebbende.
De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden gewijzigd, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, en om:
- De beschikking met kenmerk UHT-HD CWS te herroepen en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen; en
- Een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter