Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15584

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 24 juni 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 31 oktober 2025 om 14:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 31 oktober 2025 om 14:00 uur

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA. Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2005 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2010. Na overleg tussen belanghebbende en UHT is het verzoek beperkt tot de toeslagjaren 2005 en 2010.
  • UHT heeft bij definitieve beschikking van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2005 en 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 juli 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 9 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 30 oktober 2025 het bezwaar aangevuld en een nader stuk ingediend. De Commissie heeft deze e-mail van gemachtigde aan UHT doorgezonden.
  • Op 31 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 november 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 5 december 2025 op gereageerd. UHT heeft op 9 december 2025 een nadere productie toegezonden en deze productie op 16 december 2025 toegelicht. Naar aanleiding daarvan heeft gemachtigde daarop op 24 december 2025 een aanvullende reactie gegeven.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier/equality of arms

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over het volledige dossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 9 juni 2025 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het volledige dossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kán zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inhoudelijke bezwaren

Beoordeling afwijzing toeslagjaren 2005 en 2010

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2005 en 2010 af te wijzen.

Toeslagjaar 2005

Belanghebbende voert aan dat zij recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2005. Zij voert daartoe aan dat de KOT om onduidelijke redenen neerwaarts is bijgesteld op 15 juni 2005 en op 15 februari 2007. Dit duidt op vooringenomenheid door B/T. UHT heeft aangevoerd dat de reden voor deze neerwaartse bijstelling niet bekend is, nu daarop betrekking hebbende stukken niet meer in de systemen van B/T aanwezig zijn. Volgens UHT wijst het ontbreken van een geregistreerde behandelstap van een medewerker van B/T er echter op dat de neerwaartse bijstelling het gevolg moet zijn geweest van een wijzigingsverzoek van belanghebbende of een automatische aanpassing wegens gewijzigde gegevens.

De Commissie heeft in de onderliggende stukken geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de neerwaartse bijstelling van 15 juni 2005, waarbij de KOT met € 888 is verlaagd, institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie acht deze neerwaartse bijstelling verklaarbaar, nu uit de telefoonnotitie van 11 mei 2005 (pagina 103 ouderdossier) volgt dat B/T met de vertegenwoordiger van belanghebbende heeft besproken dat de KOT ten onrechte neerwaarts is bijgesteld vanwege door belanghebbende foutief doorgegeven informatie en dat tot herstel van de eventuele fout zou worden overgegaan. De aanleiding voor de neerwaartse bijstelling van 15 februari 2007, waarbij de KOT met € 112 is verlaagd, is echter niet uit de voorhanden zijnde stukken is gebleken. Tevens is uit het dossier niet gebleken dat B/T voorafgaand aan de voormelde neerwaartse bijstelling uitvraagbrieven aan belanghebbende heeft verzonden. UHT heeft, daarnaar gevraagd, ter zitting geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de reden voor deze neerwaartse bijstelling en over de vraag of voorafgaand aan deze neerwaartse bijstelling voldoende uitvraag heeft plaatsgevonden. In de aanvullende beschouwing van 27 november 2025 heeft UHT op deze punten evenmin duidelijkheid kunnen verschaffen. De Commissie kan dan ook niet tot een ander oordeel komen dan dat UHT het ingenomen standpunt omtrent deze neerwaartse bijstelling niet (voldoende) kan onderbouwen en niet kan aantonen dat belanghebbende door B/T voldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. Bij deze feiten en omstandigheden kan vooringenomen handelen door B/T bepaald niet worden uitgesloten. Om die reden adviseert de Commissie UHT om vooringenomenheid aan te nemen en op die grond compensatie aan belanghebbende te verstrekken. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen.

Toeslagjaar 2010

Gemachtigde heeft ter zitting betoogd dat B/T vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld in het toeslagjaar 2010. Daartoe heeft gemachtigde aangevoerd dat het ontbreken van een registratie in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK) belanghebbende niet had mogen worden tegengeworpen, onder verwijzing naar de publicatie in de Staatscourant 2010, nr. 13222 van 26 augustus 2010. UHT heeft aangevoerd dat de aanvraag van KOT terecht is afgewezen, nu bij de aanvang van de KOT conform de uitvoeringspraktijk van UHT van de ouder mag worden verlangd dat enig onderzoek wordt verricht naar een registratie in het LRK.

De Commissie overweegt als volgt. Om in aanmerking te komen voor KOT is op grond van artikel 1.5 lid 2 van de Wet Kinderopvang (hierna: WKO) vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) die geregistreerd is in het LRK. Belanghebbende heeft op 8 oktober 2010 KOT aangevraagd. Die aanvraag is door B/T op 9 november 2010 afgewezen vanwege het ontbreken van een LRK-registratie van de KOI. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 17 augustus 2010 besloten dat registratie van gastouders in het LRK in 2010 nog niet verplicht was voor aanspraak op KOT. Dit gold echter niet voor de registratie van gastouderbureaus. Ter zitting heeft gemachtigde, daarnaar gevraagd, verklaard dat de betrokken KOI een gastouderbureau betrof, genaamd [naam]. B/T heeft geconstateerd dat de KOI op het moment van de aanvraag niet stond geregistreerd in het LRK. Het standpunt van gemachtigde, dat nu belanghebbende de aanvraag digitaal heeft gedaan het ervoor moet worden gehouden dat een geldig LRK-nummer is ingevoerd, volgt de Commissie niet. Dat een digitale aanvraag is gedaan brengt niet zonder meer mee dat dan ook sprake was van een geldig nummer van een op dat moment LRK-geregistreerde KOI.

Uit het door UHT in de aanvullende beschouwing aangehaalde Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek volgt dat van ouders in het algemeen mag worden verlangd dat zij bij aanvang van de opvang, in het geval van belanghebbende in oktober 2010, enig onderzoek verrichten naar de LRK-registratie van een KOI. Van omstandigheden waarom bovenvermelde uitvoeringspraktijk niet op het onderhavige geval van toepassing zou zijn, is naar de opvatting van de Commissie niet gebleken. Naar de opvatting van de Commissie heeft UHT zich daarom op het standpunt mogen stellen dat belanghebbende voor deze periode geen aanspraak heeft op compensatie, omdat het gastouderbureau niet stond geregistreerd. De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat bij de afwijzing van de KOT voor toeslagjaar 2010 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De afwijzing is conform de wet uitgevoerd en geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien aan belanghebbende anders te adviseren. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Opname in het FSV-register

Ter zitting heeft gemachtigde UHT verzocht een overzicht van vermeldingen van belanghebbende in het zogenoemde FSV-register te verstrekken. Voor zover gemachtigde zich op het standpunt stelt dat een vermelding in het FSV-register leidt tot vooringenomen handelen door B/T, overweegt de Commissie het volgende. Uit het door UHT op 9 december 2025 verstrekte FSV-overzicht blijkt dat belanghebbende op 17 december 2010 en op 13 september 2011 is opgenomen in het FSV-register. Deze registraties hadden betrekking op de KOT over het toeslagjaar 2010. Nu de KOT over het toeslagjaar 2010 bij beschikking van 9 november 2010 en derhalve vóór de datum van de vermeldingen in het FSV-register is afgewezen, acht de Commissie het standpunt van UHT dat de FSV-vermeldingen niet van invloed waren op de beoordeling van de KOT, navolgbaar. De Commissie heeft op basis van de beschikbare stukken ook geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat de vermelding in de FSV van invloed was op de beoordeling van de KOT. Belanghebbende heeft dergelijke aanwijzingen niet aannemelijk gemaakt. Voor zover zij betoogt dat de afwijzing van de aanvraag en de latere vermelding in het FSV-register met elkaar verband houden, overweegt de Commissie dat dit standpunt niet is onderbouwd. De enkele veronderstelling dat de besluitvorming en de registratie met elkaar samenhangen omdat zij kort na elkaar hebben plaatsgevonden, is onvoldoende om een causaal verband aan te nemen. Dit onderdeel van het bezwaar is naar de opvatting van de Commissie ongegrond.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de herbeoordeling zich ook zou moeten uitstrekken tot de jaren 2006 en 2007, omdat in die jaren ook sprake zou zijn geweest van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling, zoals hier aan de orde, betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin B/T een beschikking heeft afgegeven, tenzij de aanvrager het verzoek uitdrukkelijk heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, beoordeeld in samenhang, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende aanvankelijk zag op de jaren 2007 tot en met 2010. In overleg met belanghebbende heeft de persoonlijk zaaksbehandelaar het verzoek beperkt tot de toeslagjaren 2005 en 2010. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten om ook de jaren 2006 en 2007 in de herbeoordeling te betrekken, en dat de bestreden beschikking om die reden zou moeten worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen aanleiding om 2006 en 2007 alsnog in haar advisering te betrekken. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Hardheidscompensatie: beslagvrije voet

Belanghebbende betoogt dat zij in aanmerking behoort te komen voor compensatie wegens hardheid bij de toepassing van het stelsel, omdat B/T geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij de terugvordering van de KOT. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Nu de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHOA naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor opgeworpen vraag ontkennend beantwoordend, om:

  • het bezwaar tegen de bestreden beschikking van 24 juni 2024 met kenmerk UHT-DCHOA gedeeltelijk gegrond te verklaren;
  • aan belanghebbende een compensatie wegens vooringenomen handelen toe te kennen over het toeslagjaar 2005 en de beschikking in zoverre te herroepen;
  • het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter