Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13535

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 mei 2023 (UHT-DCHA)

Overdracht advies aan UHT: 23 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 mei 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2016 en 2017 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom geen recht heeft op compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 januari 2021 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Het verzoek zag op de jaren 2016 en 2017.
  • Bij brief van 26 april 2021 is belanghebbende meegedeeld dat hij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
  • Op 17 april 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2016 en 2017 geen herstelregeling van toepassing is.
  • Bij brief van 17 mei 2023 is het bestreden besluit genomen.
  • Bij brief van 22 juni 2023 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Op 30 juni 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 19 januari 2026 heeft gemachtigde laten weten dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan. De hoorzitting, die stond gepland op 20 januari 2026, heeft derhalve geen doorgang gevonden.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Schending motiveringsbeginsel

Belanghebbende heeft gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie is van oordeel dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties alsnog het bestreden besluit voldoende heeft onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat de schending van het motiveringsbeginsel gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Dit geldt ook voor het gegeven dat het bestreden besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Immers, belanghebbende heeft tijdig bezwaar gemaakt en is ontvankelijk in zijn bezwaar. Met andere woorden: het niet op de voorgeschreven wijze bekend maken van het bestreden heeft er niet toe geleid dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Ook anderszins is gesteld noch gebleken dat belanghebbende nadeel heeft ondervonden van deze gang van zaken. Dat het niet de schoonheidsprijs verdient, staat evenwel buiten kijf.

Ontbrekende stukken

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’

De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in zijn procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

De Commissie merkt op dat uit de toelichting van de Wht volgt dat het bij de hardheidsregeling gaat om de hardheid van het toeslagenstelsel zelf door de strenge toepassing van de regels en niet om eventuele hardheid van de invordering op zich. Het al dan niet in acht nemen van de (volledige) beslagvrije voet bij de invordering is dus geen criterium dat meegenomen wordt bij de beoordeling of er sprake is geweest van hardheid. De grond van bezwaar van belanghebbende dat bij de verrekening de beslagvrije voet in aanmerking had moeten worden genomen, mist daardoor relevantie en zal verder niet besproken worden. De Commissie begrijpt dat het voor belanghebbende als onevenredig hard aanvoelt. Maar er is geen sprake van hardheid in het kader van de Wht.

Automatische continuatie

Belanghebbende heeft gesteld dat de automatische prolongatie van de KOT onzorgvuldig is te achten.

De Commissie overweegt dat het inherent is aan het systeem van toeslagen dat, zolang het recht op toeslag nog niet definitief is vastgesteld, B/T door tussentijdse wijzingen die een ouder doorgeeft op basis van zijn informatieplicht in het inkomen of in het aantal opvanguren, het voorschot KOT kan aanpassen. Deze systematiek maakt niet dat dat de terugvordering van het teveel uitbetaalde voorschot ten onrechte is teruggevorderd. Van institutioneel vooringenomen handelen dan wel hardheid is geen sprake.

Herbeoordeelde toeslagjaren

De KOT is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van minder afgenomen opvanguren en twee doorgegeven stopzettingen van de KOT. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bestreden besluit niet te herroepen;
  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter