BAC 2025-15353
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 oktober 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 19 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 32.313,- voor de jaren 2008, 2012 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2013, 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2013. In overleg met belanghebbende heeft UHT de jaren 2008 tot en met 2013 en 2017 tot en met 2019 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 27 november 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009, 2010, 2011, 2013, 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 31.584,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 4 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €32.313,-voor de jaren 2008, 2012, en 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2013, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 november 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 oktober 2025 het bezwaar aangevuld.
- Op 23 oktober 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende. De voor 26 november 2025 geplande hoorzitting is geannuleerd.
- Gemachtigde heeft op 25 november 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 13 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- De Commissie heeft partijen op 19 januari 2026 bericht dat zij zich voldoende geïnformeerd acht om tot een advies te komen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008, 2012 en 2017 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009, 2010, 2011, 2013, 2018 en 2019 af te wijzen.
Procedurele bezwaren
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan en aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat dat definitieve beschikking is genomen voordat de termijn voor het indienen van de zienswijze was verstreken.
De Commissie overweegt dat dit niet de aangewezen gang van zaken is, zodat belanghebbende daarover terecht heeft geklaagd. Echter, belanghebbende heeft in het kader van deze bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Voor zover er sprake is geweest van een tekortkoming is die daarmee hersteld.
Definitieve compensatieberekening
Toeslagjaren 2008, 2012 en 2017
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld.
In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten van de compensatieberekening en de hoogte hiervan concreet en inzichtelijk toegelicht en de compensatieberekening volledig heroverwogen.
De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding over de gemiste KOT (component o) onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de jaren 2008 en 2012, omdat niet is uitgegaan van de juiste data. Aangezien belanghebbende door toepassing van correcte data nadeel zou lijden, wordt de rentevergoeding in de beslissing op bezwaar niet aangepast.
Voorts blijkt uit de schriftelijke beschouwing van UHT dat de einddatum voor de berekening van immateriële schade (component n) 4 oktober 2023 had moeten zijn in plaats van 11 oktober 2023. Bij de toepassing van de juiste data heeft belanghebbende echter recht op hetzelfde bedrag aan schadevergoeding, namelijk € 14.000,- (28 x € 500,-).
Tot slot heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat de hoogte van component a voor de jaren 2008, 2012 en 2017 juist is vastgesteld. Dit zelfde geldt voor component f voor de jaren 2008 en 2012. UHT heeft toegelicht dat component f voor toeslag jaar 2017 onjuist is vastgesteld, maar omdat correctie van deze fout nadelig zou uitpakken voor belanghebbende, blijft dit bedrag op grond van het verbod op reformatio in peius ongewijzigd. De Commissie kan zich zich hiermee verenigen.
Belanghebbende kan zich verder niet vinden in de wijze waarop de (im)materiele schade is berekend.
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Bij de berekening van de werkelijke immateriële schade door CWS wordt in beginsel ook eventuele schade door ervaren discriminatie door de ouder in aanmerking genomen.
Bij het bestreden besluit is aan belanghebbende geen compensatie toegekend op basis van vooringenomen handelen of hardheid voor toeslagjaar 2013. UHT stelt zich op het standpunt dat in dit toeslagjaar sprake is geweest van reguliere wijzigingen en dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. Belanghebbende stelt daarentegen dat op basis van het dossier niet beoordeeld kan worden wie de KOT per 15 mei 2013 heeft stop gezet. Daarnaast mocht B/T naar de mening van belanghebbende niet afgaan op de gegevens van KOI-viewer.
Op grond van het bezwaardossier kan de Commissie niet met zekerheid vaststellen wie de KOT per 15 mei 2013 heeft stop gezet. De verwijzing door UHT naar de producties 2700100 en 2700101 is hiertoe niet toereikend, nu belanghebbende heeft betwist dat de melding over de stopzetting van haar afkomstig is en verdere gegevens ontbreken die buiten twijfel stellen dat de stopzetting door of namens haar is gedaan. Tegen die achtergrond kan niet worden uitgesloten dat belanghebbende vooringenomen is behandeld. Volgens artikel 2.1, lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelen van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Dat speelt hier. Vast staat dat belanghebbende tegen de stopzetting KOT geen bezwaar heeft gemaakt of opnieuw voor 2013 KOT heeft aangevraagd. Verder blijkt uit de gegevens in de KOI-viewer dat de opvang in 2013 beperkt is gebleven tot de periode van 1 januari 2013 tot 15 mei 2013. Anders dan belanghebbende stelt mocht B/T uitgaan van deze informatie nu niet gebleken is van contra-indicaties. Belanghebbende heeft ook geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt of aannemelijk kan worden dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist was.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2013 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet in geschil is dat voor de toeslagjaren 2018 en 2019 geen verlagingen van KOT hebben plaatsgevonden. Belanghebbende stelt echter dat nu in 2017 vooringenomen is gehandeld, dit ook gevolgen heeft gehad voor 2018 en 2019. Gelet daarop dient zij in aanmerking te komen voor compensatie op grond van vooringenomenheid.
De Commissie merkt op dat B/T belanghebbende met een brief van 15 januari 2018 (productie 1218002) heeft meegedeeld dat de stopzetting van de KOT over 2017 ook gevolgen heeft voor de KOT 2018. Vervolgens heeft belanghebbende eerst op 10 december 2018 opnieuw KOT aangevraagd met ingang van 13 november 2018. In reactie hierop heeft B/T de voorschotbeschikkingen KOT voor 2018 en 2019 genomen.
Gelet op deze gang van zaken ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor de stelling van belanghebbende dat sprake is geweest van doorwerking van vooringenomen handelen van B/T. De Commissie adviseert UHT dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
Fraude Signalering Voorziening (FSV)
Belanghebbende stelt dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld of zij niet in de FSV voorkwam. Zij verwijst hiertoe naar de print screen van de FSV-check waarin is vermeld: “nee, voor zover ik kan zien kwam deze ouder niet voor in de FSV”.
De Commissie stelt vast dat op basis van de beschikbare stukken geconcludeerd kan worden dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie vermoedt dat de toevoeging ‘voor zover ik kan zien’ dan ook voortvloeit uit deze beperkte toegang tot gedetailleerde informatie. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden zoals deze in het dossier naar voren komen is deze stelling niet aannemelijk geworden, terwijl ook belanghebbende daartoe geen aanknopingspunten heeft genoemd. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.
Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).
De Commissie overweegt dat deze verrekeningen een belanghebbende hard kunnen treffen hoewel deze verrekeningsbevoegdheid onderdeel is van de uitvoering die aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt verder dat over het jaar waarover zij bezwaar heeft gemaakt geen beslissing op bezwaar is genomen en dat om deze reden sprake is van vooringenomen handelen.
De Commissie stelt vast dat door belanghebbende bezwaar is ingediend tegen de vaststelling van de KOT voor toeslagjaar 2008. Het bezwaar van belanghebbende is bij beslissing op bezwaar van 16 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard (productie 1208008). Er is dus wel een beslissing op bezwaar genomen. De Commissie overweegt dat uit de voor haar voorhanden stukken niet is gebleken dat er nog andere bezwaren zijn ingediend. Aan de UHT wordt geadviseerd om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter