BAC 2025-16602
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 januari 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 18 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €9.729,- voor het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2018 en 2019. De jaren 2017 tot en met 2019 zijn betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij besluit van 1 maart 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 oktober 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2018 en 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €9.138,- voor het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019. Op grond van de Catshuisregeling is dit bedrag aangevuld tot €30.000,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €9.729,- voor het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 februari 2024, ingekomen op dezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 7 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 4 februari 2026 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid de bezwaren op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2017 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2018 en 2019 af te wijzen.
Afgewezen toeslagjaren 2018 en 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2018 en 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2018 en 2019 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. In toeslagjaar 2018 is de KOT tweemaal verlaagd naar aanleiding van een doorgegeven wijziging van belanghebbende (productie 2800107 en 28001018). In toeslagjaar 2019 heeft belanghebbende een stopzetting van de KOT doorgegeven per 5 februari 2019 (productie 2800110). Naar aanleiding hiervan is de KOT verlaagd. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening toeslagjaar 2017
UHT is tot de conclusie gekomen dat component O (rentevergoeding voor gemiste KOT) onjuist is vastgesteld. Dit had €1.975,- moeten zijn in plaats van 1.967,- en zal in het besluit op bezwaar in het voordeel van belanghebbende worden aangepast. Als gevolg van het deels gegrond verklaren van het bezwaar is UHT voornemens om ook component N (vergoeding voor immateriële schade) en component P (aanvullende vergoeding van 1%) aan te passen. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal UHT dienovereenkomstig adviseren.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2.
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatieberekening aan te passen op de volgende onderdelen:
- rentevergoeding voor gemiste KOT;
- vergoeding voor immateriële schade; en
- aanvullende vergoeding van 1%.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter