BAC 2025-15687
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 juni 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 3 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 3 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 t/m 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 22 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 t/m 2015. In overleg met belanghebbende is het verzoek beperkt tot de jaren 2010 t/m 2014.
- UHT heeft bij besluit van 3 oktober 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 mei 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de jaren 2010 t/m 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 t/m 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 juli 2024, ingekomen op 10 juli 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 27 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 22 oktober 2025 een verklaring van belanghebbende ingediend.
- Op 3 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- De gemachtigde heeft op 3 november 2025, na afloop van de hoorzitting, vier door belanghebbende opgestelde documenten ingediend. Deze documenten vormen een weergave van hetgeen belanghebbende tijdens de hoorzitting heeft voorgedragen en bevatten aanvullingen op het bezwaarschrift.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 4 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Belanghebbende heeft op 25 november 2025 gereageerd op de schriftelijke reactie van UHT.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van hoor en wederhoor, het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing, aanvullende beschouwing en de overgelegde stukken − waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) − en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Belanghebbende heeft de gelegenheid gekregen om zijn zienswijze naar aanleiding van de beschouwing, de aanvullende beschouwing en het dossier kenbaar te maken. Er is daarom geen strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
Het is niet aannemelijk geworden dat zich in het geval van belanghebbende een situatie voordoet die vergelijkbaar is met de situatie van personen die wel als gedupeerden in de zin van de Wht zijn aangemerkt. Er is daarom geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat hij erop mocht vertrouwen dat de door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) verstrekte voorschotten van de KOT niet aan wijzigingen onderhevig waren. In de voorschotbeschikkingen staat echter vermeld dat de voorschotten kunnen wijzigen bij veranderingen in de situatie van belanghebbende. Er zijn door B/T geen toezeggingen gedaan waaraan belanghebbende gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen.
Belanghebbende voert aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat volgens hem kleine administratieve onduidelijkheden tot disproportionele gevolgen hebben geleid, namelijk dat hij zijn kinderen naar Marokko heeft gestuurd.
Een besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel wanneer het onevenwichtig is en het in de gegeven omstandigheden voor belanghebbende onredelijk bezwarend uitpakt. Zoals hierna zal blijken uit de overwegingen ten aanzien van de toeslagjaren 2010 t/m 2014, was in deze toeslagjaren geen vooringenomen handelen door B/T, geen hardheid van het stelsel en geen onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie (hierna: O/GS-kwalificatie) aan de orde. Het handelen van B/T was dus rechtmatig. De keuze van belanghebbende om zijn kinderen naar Marokko te sturen was dan ook niet het gevolg van onrechtmatig handelen door B/T. Door voor de toeslagjaren 2010 t/m 2014 geen compensatie toe te kennen, heeft UHT geen onevenwichtig besluit genomen. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is geen sprake.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen strijd met het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM)
Belanghebbende stelt dat het recht op gezinsleven is geschonden, omdat hij er naar aanleiding van de besluiten van B/T voor heeft gekozen zijn kinderen naar Marokko te sturen.
In de toeslagjaren 2010 t/m 2014 was er geen vooringenomen handelen door B/T, geen hardheid van het stelsel en geen onterechte O/GS-kwalificatie. B/T heeft derhalve geen inbreuk gemaakt op enig recht van belanghebbende. Het bestreden besluit is dan ook niet in strijd met het recht op gezinsleven.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Dossier
Aangezien aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die op de zaak betrekking hebben.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende stelt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2008 en 2009 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een besluit daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende zag op de toeslagjaren 2008 t/m 2015. De PZB heeft het verzoek vervolgens in overleg met belanghebbende aangepast naar de toeslagjaren 2010 t/m 2014. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft om de toeslagjaren 2008 en 2009 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden het bestreden besluit moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en het bestreden besluit de omvang van deze bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie adviseert UHT om deze toeslagjaren voor te leggen aan de eerdergenoemde PZB om als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Aangezien deze werkwijze kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de behandeling van het bezwaar niet aan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2010 t/m 2014
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de verlagingen van de KOT voor de toeslagjaren 2010 t/m 2014 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen, inkomenswijzigingen en gegevens van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI). Er zijn geen aanwijzingen dat B/T in redelijkheid niet op de juistheid van deze gegevens mocht vertrouwen.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2010 is geen sprake geweest van een verlaging van de KOT en evenmin heeft belanghebbende over dit jaar een bedrag aan KOT moeten terugbetalen. Op basis van de beschikbare gegevens acht de Commissie het daarom niet aannemelijk dat belanghebbende over het toeslagjaar 2010 schade heeft geleden als gevolg van het handelen van B/T, die op grond van de Wht voor compensatie in aanmerking zou kunnen komen.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 blijkt uit de gegevens dat de eerste verlaging van de KOT plaatsvond naar aanleiding van de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 17 juni 2011. Dit betrof een reguliere wijziging. De tweede verlaging vond plaats op basis van informatie van de KOI. B/T mocht in beginsel vertrouwen op de juistheid van deze gegevens, tenzij er op dat moment reden bestond om te twijfelen. De beoordeling of B/T in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de informatie in de KOI-viewer dient plaats te vinden op basis van de destijds beschikbare gegevens (zie Rechtbank Noord-Holland, 8 mei 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6633). De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat er, gelet op de toen beschikbare informatie, voor B/T aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van de door de KOI verstrekte gegevens.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2012 blijkt dat de eerste verlaging van de KOT plaatsvond na de door belanghebbende doorgegeven stopzetting per 30 juni 2012. Dit betrof een reguliere wijziging. De tweede verlaging volgde op basis van informatie van de KOI en een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen. Ook dit betrof een reguliere wijziging, waarbij B/T mocht vertrouwen op de juistheid van de ontvangen gegevens. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat er, gelet op de toen beschikbare informatie, voor B/T aanleiding bestond om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte gegevens.
Belanghebbende stelt dat de KOT over toeslagjaar 2012 aan de toeslagpartner is toegekend, maar bij hem is teruggevorderd. Uit het LIC-overzicht blijkt echter dat de KOT over toeslagjaar 2012 aan belanghebbende is uitgekeerd.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2013 vond een verlaging plaats vanwege een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen. Ook deze wijziging kan worden aangemerkt als een reguliere aanpassing.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2014 blijkt dat de eerste verlaging het gevolg was van de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 16 januari 2014.
Belanghebbende heeft verklaard dat hij in dat jaar wel gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, maar vanwege eerdere problemen met de KOT geen nieuwe aanvraag heeft ingediend. De Commissie begrijpt dat dit besluit voortkwam uit een gevoel van wantrouwen of onzekerheid.
In uitzonderlijke situaties kan recht bestaan op compensatie in een jaar waarin geen KOT is aangevraagd of waarin de toeslag is stopgezet. Hiervoor is vereist dat een direct verband bestaat tussen het uitblijven van de aanvraag of de stopzetting en eerder vooringenomen handelen door B/T. Uit de beoordeling blijkt echter dat in de jaren voorafgaand aan 2014 geen vooringenomen handelen door B/T is vastgesteld. De verlagingen volgden uit reguliere en rechtmatige wijzigingen. Daarom is in dit geval geen sprake van een uitzonderingssituatie.
De tweede verlaging over 2014 vond plaats vanwege een hoger gezamenlijk toetsingsinkomen en betrof eveneens een reguliere aanpassing.
Alles overwegend komt de Commissie tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de jaren 2010 t/m 2014 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.
Hoewel in 2011, 2012 en 2014 verlagingen hebben plaatsgevonden die € 1.500 of meer bedroegen, is er geen hardheid van het stelsel, omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn die op hardheid duiden. Uit het dossier is ook niet gebleken van een onterechte O/GS-kwalificatie over de jaren 2010 t/m 2014.
De Commissie begrijpt dat deze uitkomst teleurstellend kan zijn voor belanghebbende, maar adviseert UHT op grond van het bovenstaande om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hardheidsclausule (menselijke maat)
Belanghebbende is van mening dat in zijn geval onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden en daarmee met de menselijke maat. Volgens hem is geen rekening gehouden met de langdurige emotionele en psychologische schade die zijn kinderen hebben geleden, de noodzaak om de kinderen geruime tijd in Marokko te laten verblijven, de instabiele gezinssituatie en de kosten van € 7.000 die hij heeft moeten maken voor het verblijf van zijn kinderen in Marokko, als gevolg van de terugvorderingen door B/T.
De Commissie vat het beroep van belanghebbende op als een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 lid 1 Wht. Die bepaling maakt het mogelijk dat UHT kan afwijken van artikelen 2.1 lid 1 en 2.6 Wht, voor zover toepassing daarvan, gelet op doel of strekking, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak maakt op compensatie.
Aangezien, zoals hiervoor overwogen, het handelen van B/T rechtmatig is geweest in de betrokken jaren, kan niet worden geoordeeld dat de toepassing van de bepalingen die aanspraak geven op compensatie leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens belanghebbende. De omstandigheid dat belanghebbende zich genoodzaakt voelde om zijn kinderen tijdelijk bij hun grootouders in Marokko onder te brengen, schept dus geen aanspraak op compensatie.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en
- geen procesvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter