BAC 2023-14085
Publicatiedatum 13-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 juli 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 13 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €28.488 voor de toeslagjaren 2007, 2009, de maanden november en december 2016 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006, 2008 en 2010 tot en met 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaren 2008 tot en met 2011, 2013, 2014 en 2015. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2006 tot en met 2017 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000, op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2006, 2008 en 2010 tot en met 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016 en februari tot en met december 2017.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 15 september 2022, met kenmerk UHT-VC I, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €26.838.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 21 juli 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €28.488 voor de toeslagjaren 2007, 2009, 2016 en 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 augustus 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 15 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Belanghebbende heeft bij brief van 13 oktober 2025 het bezwaar aangevuld.
- Op 13 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 4 december 2012 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 5 januari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor toeslagjaren 2007, 2009, de maanden november en december van 2016 en 2017 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2006, 2008 en 2010 tot en met 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016 af te wijzen.
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken betreffen het ouderdossier en zijn op 24 september 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat de immateriële schade niet juist berekend is.
In het kader van de bezwaarprocedure heeft UHT de compensatieberekening volledig heroverwogen. UHT heeft in haar schriftelijke beschouwing erkend dat de compensatieberekening onjuistheden bevat. Zo zijn er bij de berekening van de immateriële schade, component n, een verkeerde start- en einddatum gehanteerd. Als startdatum is 11 augustus 2009 als uitgangspunt genomen, in plaats van 26 augustus 2009 en als einddatum is 26 juli 2023 gehanteerd in plaats van 21 juli 2023.
Daarnaast is de toeslagrente over gemiste kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) bij component o over alle jaren niet juist berekend. Over toeslagjaar 2007 is een bedrag van € 5.750 vastgesteld, in plaats van € 5.741, over toeslagjaar 2009 is een bedrag van € 1.904 vastgesteld, in plaats van € 1.900 en over 2016 is een bedrag van € 303 vastgesteld, in plaats van € 302 en over toeslagjaar 2017 is een bedrag van € 202 vastgesteld terwijl dit € 201 had moeten zijn.
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT om de compensatieberekening niet aan te passen, omdat de huidige berekeningen in het voordeel van belanghebbende zijn. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Heroverweging toeslagjaren 2006, 2008, 2010, 2011, 2012, 2015 en januari tot en met oktober 2016
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006, 2008, 2010, 2011, 2012 en 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De Commissie licht dat hieronder toe.
Over toeslagjaar 2006 heeft geen terugvordering plaatsgevonden.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2008 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Zo is er door belanghebbende, althans met haar DigiD, een wijziging doorgegeven in het uurtarief en een stopzetting per 31 december 2008. Belanghebbende betoogt dat er fraude is gepleegd door de Kinderopvanginstelling (hierna: KOI) met haar DigiD. Belanghebbende heeft hiervan aangifte gedaan. Tot een vervolging van de KOI is het echter niet gekomen, omdat er onvoldoende bewijs was om fraude door de KOI aan te nemen. Hoewel de Commissie niet uitsluit dat belanghebbende te goeder trouw haar DigiD aan de KOI heeft gegeven, is zij toch van oordeel dat de gevolgen van het delen van DigiD-inloggegevens voor rekening en risico van belanghebbende dienen te komen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2010 waren de neerwaartse correcties een gevolg van een hoger toetsingsinkomen van belanghebbende en een stopzetting per 12 september 2010. Beide wijzigingen zijn door belanghebbende zelf doorgegeven.
De terugvorderingen over toeslagjaar 2011 en 2012 waren gebaseerd op reguliere wijzigingen, zoals een wijziging in opvanguren, toetsingsinkomen en in beide jaren een stopzetting door belanghebbende zelf, respectievelijk per 7 oktober 2011 en 1 augustus 2012.
Ten aanzien van toeslagjaar 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016 overweegt de Commissie als volgt. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder ten aanzien van wie aannemelijk is dat bij de vaststelling van de aanspraak op KOT in enig jaar sprake is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Volgens UHT deed dit zich voor in 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016, nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvangvang.
Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt betwist, maar heeft geen nadere onderbouwing gegeven. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het toeslagjaar 2015 en de maanden januari tot en met oktober 2016 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
Alle bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2013 en 2014
Belanghebbende betoogt dat zij over de toeslagjaren 2013 en 2014 ook gecompenseerd moet worden, wegens vooringenomen handelen door B/T. UHT is er bij de beoordeling van deze jaren ten onrechte vanuit gegaan dat de moeder van belanghebbende heeft opgepast. Belanghebbende heeft dit herhaaldelijk geprobeerd recht te zetten, maar de bestreden beschikking gaat toch uit van de situatie waarin de moeder van belanghebbende heeft opgepast. UHT heeft in eerste instantie in haar schriftelijke beschouwing aangegeven dat er geen sprake was van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie O/GS ten aanzien van de toeslagjaren 2013 en 2014. Tijdens de hoorzitting is UHT hier echter op teruggekomen. De aanleiding hiervoor was het aanvullend bezwaar met bijlagen, van 13 oktober 2025. Bij de producties A8 tot en met A12 zaten jaaropgaves van 2013 en andere documentatie die UHT niet eerder had ontvangen. Hieruit blijkt volgens UHT dat er in juni tot en met december 2013 en in het hele toeslagjaar 2014 wel opvang is genoten. UHT heeft daarom ter zitting toegezegd dat voor zowel 2013 als 2014 vooringenomen handelen door B/T zal worden aangenomen.
UHT is, zo constateert de Commissie, in haar aanvullende beschouwing van 4 december 2025 op de door haar gedane toezegging teruggekomen, door te stellen dat er over toeslagjaar 2013 niet vooringenomen is gehandeld door B/T. Over 2014 wordt nog wel vooringenomen handelen aangenomen.
De Commissie is van oordeel dat UHT hier in strijd met het vertrouwensbeginsel handelt. UHT heeft immers bij belanghebbende het vertrouwen gewekt dat zij zowel toeslagjaar 2013 als 2014 zal compenseren op basis van vooringenomen handelen. Dat is door de vertegenwoordiger van het UHT ondubbelzinnig en zonder voorbehoud toegezegd tijdens de hoorzitting. Mede vanwege het feit dat de toezegging voortvloeide uit gegevens die voorafgaand aan de hoorzitting ter kennis van UHT waren gebracht, mag onder de omstandigheden van dit geval aangenomen worden dat de vertegenwoordiger van UHT voldoende mandaat had om UHT aan deze toezegging gebonden te achten. Nu er verder geen sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van nieuwe gegevens waarmee UHT ten tijde van de hoorzitting geen rekening heeft kunnen houden, kan UHT aan de gedane toezegging gehouden worden. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en zowel toeslagjaar 2013 als 2014 overeenkomstig het gestelde door UHT tijdens de hoorzitting te compenseren op basis van vooringenomen handelen door B/T.
Proceskosten
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Daarnaast adviseert zij om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter