BAC 2023-14376
Publicatiedatum 12-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 26 september 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 21 januari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 10.162 voor de jaren 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 20 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 tot en met 2012. In overleg met de ouder zijn hierna de jaren 2018 en 2019 aan het verzoek toegevoegd.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 15 augustus 2023, kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €10.162. Compensatie voor de jaren 2018 en 2019 is daarbij afgewezen.
- Op 14 september 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend15 september 2025
- Bij brief van 8 oktober 2024 heeft gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 27 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 15 september 2025 nadere gronden van bezwaar ingediend.
- Op 26 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 oktober 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 10 juli 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt, behoudens het hierna overwogene, dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Blijkens het vermelde in het “procesverloop” zijn er na afloop van de zitting tijdens het voortgezette schriftelijke debat tussen partijen nog enkele stukken aan het dossier toegevoegd die, hoewel op de zaak betrekking hebbend, niet ter inzage waren gelegd. In zoverre is het bepaalde in artikel 7:4, lid 2 Awb wel geschonden. Belanghebbende heeft evenwel de gelegenheid gekregen om haar standpunt ter zake in het voortgezette schriftelijke debat, nader toe te lichten. De Commissie is van mening dat belanghebbende door deze gang van zaken niet in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen uiteindelijk aangevoerde en gehandhaafde bezwaren, geplaatst voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht heeft besloten het jaar 2018 niet als, kortweg, compensatiejaar aan te merken en of UHT de compensatie berekening over de jaren 2011 en 2012 juist heeft berekend.
Met betrekking tot de eerste vraag (2018) overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2018 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Het voorschot aan KOT is verschillende keren door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. In zoverre adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot de betaling van € 1.590 aan KOT door B/T aan deurwaarderskantoor [naam], overweegt de Commissie als volgt. Op grond van de door UHT overgelegde stukken, volgt de Commissie het standpunt van gemachtigde dat deze stukken geen betrekking lijken te hebben op de betaling van € 1.590 aan [naam deurwaarderskantoor]. In de stukken gaat het om een bedrag van € 723,91 en zijn de afschriften opgesteld door een ander deurwaarderskantoor, namelijk [naam deurwaarderskantoor 2]. Het betreft een derdenbeslag dat bij de Belastingdienst is gelegd betreffende kennelijk niet door belanghebbende betaalde premies zorgverzekering. De Commissie adviseert dit punt – zoals eerder verzocht – nog zorgvuldiger te onderzoeken en de uitkomsten hiervan mee te nemen in de beslissing op bezwaar.
Ten aanzien van het subsidiaire beroep van gemachtigde op artikel 9.1 van de Wht is de Commissie van mening dat de situatie van belanghebbende zoals die thans uit de stukken blijkt niet uitzonderlijk genoeg is om via de hardheidsclausule in aanmerking te komen voor compensatie. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er door de betaling van één maand KOT aan [naam] zeer ernstige financiële en/of persoonlijke gevolgen zijn ontstaan. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.
Met betrekking tot de tweede vraag (2011 en 2012) overweegt de Commissie als volgt. Belanghebbende stelt dat in de compensatieberekening aangaande het jaar 2012 ten onrechte is uitgegaan van het bedrag € 2.178 onder component A. Volgens belanghebbende moet dit € 10.473 zijn, nu dit het bedrag was van de laatste beschikking voorafgaand aan de vooringenomen handeling. Hierna is de KOT bij beschikking van 21 maart 2012 verlaagd naar € 1.740. Om deze reden zou ook moeten worden uitgegaan van deze datum als startdatum voor de berekening van de vergoeding van immateriële schade. Weliswaar stelt UHT dat deze verlaging is gebeurd vanwege een stopzetting door belanghebbende zelf op 4 februari 2012, maar belanghebbende kan zich deze stopzetting niet herinneren.
Op verzoek van de Commissie heeft UHT op 9 oktober 2025 de onderliggende TVS-meldingen en XML-bestanden overgelegd, op grond waarvan aannemelijk is dat de stopzetting van 4 februari 2012 per 1 maart 2012 door of namens belanghebbende is ingediend. Het volgen van door belanghebbende verstrekte informatie vormt volgens de Commissie op zichzelf geen aanwijzing voor vooringenomen handelen van B/T. De Commissie ziet dan ook geen aanleiding om voor de berekening van de vergoeding van immateriële schade uit te gaan van 21 maart 2012 als startdatum.
Gelet op de overgelegde stukken is de Commissie van mening dat UHT terecht is uitgegaan van € 2.178 aangezien dit de hoogte van de KOT was voorafgaand aan de vooringenomen handeling (de nihilstelling). De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie in dit stadium zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De Commissie gaat er van uit dat een zodanige vergoeding wel door UHT zal worden toegekend als het nadere onderzoek, waar hiervoor op is gedoeld, alsnog tot een zodanige herroeping leidt.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter