Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07652

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 23 december 2021 (UHT-DC-I A, UHT-DH A, UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 22 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 16 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen in stand te laten.

Onderwerp van advies

De door belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2017.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 13 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de Integrale Beoordeling in gang wordt gezet.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 oktober 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2017.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 22 januari 2022, ingekomen op 31 mei 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 22 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • De Commissie heeft - naar aanleiding van de ter zitting gemaakte afspraken – belanghebbende in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken nog een nadere reactie te geven op het dossier. Omdat die reactie binnen de gestelde termijn uitbleef, heeft de Commissie belanghebbende gerappelleerd en in de gelegenheid gesteld om alsnog uiterlijk 16 februari 2026 te reageren. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd, zodat de Commissie overgaat tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaar 2012

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2012. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties van 21 februari 2012 en 21 juli 2012 waren gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren. De neerwaartse correctie van 8 mei 2015 was gelegen in een hoger toetsingsinkomen. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2013. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie van 10 april 2015 was gelegen in een hoger toetsingsinkomen. Deze bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2014. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel.

De neerwaartse correcties van 22 april 2014 en 22 juli 2014 waren gebaseerd op wijziging van het aantal opvanguren, die door belanghebbende zijn doorgegeven. De gegevens in KOI-viewer komen ook overeen met deze wijzigingen.

De neerwaartse correctie van 9 september 2016 was gebaseerd op de informatie uit de door belanghebbende toegezonden jaaropgave van de KOI en de gegevens in de KOI viewer. In de beschouwing van UHT stond, dat de correctie verband hield met het aantal uren, dat de partner van belanghebbende werkte, maar dat heeft UHT tijdens de hoorzitting gecorrigeerd. De KOT die is toegekend, is berekend op basis van alle uren in de KOI viewer en jaaropgave.

Deze bijstellingen zijn vervolgens conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2015

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2015. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij over het toeslagjaar 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen de neerwaartse wijziging, maar dat dit bezwaarschrift niet is opgenomen in het dossier. Belanghebbende stelt dat zij B/T en het UWV destijds heeft geïnformeerd over de werkomstandigheden van haar echtgenoot, en dat hij wel degelijk doelgroeper was.

UHT stelt dat B/T op 27 februari 2017 en 10 april 2017 om informatie heeft verzocht ten behoeve van het werk van de toeslagpartner van belanghebbende – en dat belanghebbende hierop op 8 april 2017 (ontvangen op 28 april 2017) heeft gereageerd. UHT stelt dat belanghebbende hierin heeft verklaard dat haar toeslagpartner vanaf 1 april 2014 werkloos was en dat haar toeslagpartner over het hele toeslagjaar 2015 niet heeft gewerkt. Als gevolg daarvan was de toeslagpartner van belanghebbende geen doelgroeper meer. UHT stelt zich op het standpunt dat de neerwaartse correctie over 2015 daarom regulier is.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2015 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie van 26 mei 2017 was gelegen in de hiervoor genoemde antwoordbrief van 8 april 2017, waarin belanghebbende heeft verklaard dat haar toeslagpartner op 1 april 2014 werkloos is geworden. Uit de door belanghebbende aangeleverde informatie blijkt niet dat deze situatie in 2015 is veranderd.

Belanghebbende heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat haar toeslagpartner over dit toeslagjaar als doelgroeper is aan te merken.

De Commissie overweegt dat de neerwaartse correctie conform de wet is uitgevoerd. Een dergelijke bijstelling geeft in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2016. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij over het toeslagjaar 2016 tot viermaal toe informatie heeft moeten aanleveren voordat dit B/T goed ontvangen werd.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel.

De neerwaartse correctie van 21 september 2016 was gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren.

De neerwaartse correctie van 16 maart 2018 was gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer. De Commissie overweegt dat – bij gebrek aan in andere richting wijzende gegevens – B/T mocht vertrouwen op de juistheid van deze gegevens. Hierbij zij opgemerkt dat uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat belanghebbende op 12 juni 2017 een jaaropgave heeft toegestuurd met opvanggegevens die corresponderen met de KOI-viewergegevens.

Deze bijstellingen zijn vervolgens conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2017

Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2017. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correctie van 21 januari 2017 was gebaseerd op een door belanghebbende doorgegeven wijziging in het aantal opvanguren. De neerwaartse correctie van 21 juni 2017 was gelegen in een door belanghebbende doorgevoerde stopzetting van de KOT per 1 juni 2017. In het dossier (bladzijde 529) is een TVS-melding aanwezig van de stopzetting. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de KOT per 1 juni 2017 heeft willen stopzetten. De neerwaartse correctie van 13 juli 2018 was gebaseerd op informatie uit de KOI-viewer. De Commissie ziet in het dossier geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer.

De Commissie overweegt dat de bijstellingen conform de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen in stand te laten.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter