BAC 2025-16143
Publicatiedatum 11-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 oktober 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 9 januari 2026 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 16 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 2 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 2 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 augustus 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2012.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 2 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2012.
- Belanghebbende heeft bij brief van 24 oktober 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Voormalig gemachtigde heeft bij brief van 27 november 2024 het bezwaar aangevuld.
- De voormalig gemachtigde heeft bij brief van 12 maart 2025 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 16 juni 2025 schriftelijk gereageerd.
- Medio oktober 2025 heeft opvolgende gemachtigde zich als opvolgende gemachtigde gesteld.
- UHT heeft op 31 december 2025 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend, naar aanleiding van een ambtshalve herbeoordeling van de toeslagjaren 2005 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019.
- Gemachtigde heeft namens belanghebbende op 8 januari 2026 per e-mail haar persoonlijke zienswijze op de eerdere beschouwing van UHT van 16 juni 2025 aan de Commissie toegezonden.
- De Commissie heeft deze zienswijze op 9 januari 2026 aan UHT doorgezonden.
- Op 9 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier, waaronder het LIC-overzicht.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 16 oktober 2025 aan de opvolgende gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaar 2012
De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar ter zitting, waarbij door de opvolgende gemachtigde is aangegeven dat de toeslagjaren 2005 tot en met 2011 en 2013 tot en met 2019 niet in geschil zijn, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2012, af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2012
Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), omdat zij destijds door de Belastingtelefoon onjuist is geïnformeerd, waardoor zij haar KOT voor 2012 had stopgezet. Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van hardheid, aangezien de KOT over het toeslagjaar 2012 met ten minste € 1.500 is teruggevorderd dan wel is verlaagd.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.
De Commissie maakt uit het dossier op dat de neerwaartse bijstellingen voor het toeslagjaar 2012 het gevolg zijn geweest van reguliere wijzigingen van de KOT. Voor zover belanghebbende betoogt schade te hebben geleden vanwege de stopzetting van de KOT door de foutieve informatie die is versterkt door de Belastingtelefoon, overweegt de Commissie dat na het door belanghebbende op 30 januari 2013 ingediende bezwaar de KOT is herzien overeenkomstig de door haar aangeleverde jaaropgave over 2012 en dat de gevolgen van de foutieve informatie zijn hersteld. Dat schade in de zin van artikel 2.1, lid 1, van de Wht is geleden, is niet aannemelijk geworden.
De Commissie betreurt de foutieve informatie die door een medewerker van de Belastingtelefoon is gegeven, maar hieruit kan niet geconcludeerd worden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid. Daarnaast heeft de Commissie ook overigens geen aanwijzingen gevonden dat in het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. De Commissie zal daarom UHT adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur en advies CvW
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen, omdat de CvW haar oordeel had gegeven, voordat belanghebbende haar zienswijze had ingediend.
De Commissie stelt vast dat het advies van de CvW is uitgebracht op 8 augustus 2023, terwijl belanghebbende tot en met 4 september 2023 de gelegenheid had om een zienswijze in te dienen en daarvan gebruik heeft gemaakt op 13 augustus 2023.
Daarmee is de in artikel 4, lid 2, van de Regeling werkwijze Commissie van Wijzen voorgeschreven volgorde niet gevolgd. De Commissie stelt voorop dat een dergelijke werkwijze slordig en onzorgvuldig is en had moeten worden vermeden.
Belanghebbende heeft evenwel de gelegenheid gekregen en benut om haar zienswijze in de bezwaarprocedure opnieuw onder de aandacht te brengen en nader te onderbouwen.
Daarnaast zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de opvolgende gemachtigde van belanghebbende verstrekt. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende door deze gang van zaken niet in haar processuele belangen is geschaad. Het namens belanghebbende naar voren gebrachte bezwaar kan derhalve niet leiden tot het door haar gewenste resultaat. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 2 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten;
- geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter