Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15545

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 oktober 2023 (UHT-DCH)

Overdracht advies aan UHT: 16 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 oktober 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €45.908,- voor 2007, 2008 en de maanden januari tot en met juni 2009 wegens vooringenomen handelen en voor de maanden juli tot en met december 2009 wegens een onterechte opzet/grove schuld-kwalificatie (hierna: O/GS).

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2007, 2008 en 2009.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende het jaar 2009 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 16 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: het bestreden besluit) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €45.908,- voor 2007, 2008 en de maanden januari tot en met juni 2009 wegens vooringenomen handelen en voor de maanden juli tot en met december 2009 wegens O/GS.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 november 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 oktober 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
  • Gemachtigde heeft voorts in een e-mailbericht van 21 oktober 2025 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Gemachtigde verzoekt om in plaats van een hoorzitting een schriftelijke ronde in te lassen.
  • De Commissie heeft in reactie hierop in een e-mailbericht van 24 november 2025 aan gemachtigde en UHT laten weten dat de hoorzitting wordt geannuleerd en dat in plaats daarvan een schriftelijke ronde volgt. Tevens is in dat bericht aan gemachtigde een termijn gegeven voor het indienen van nadere bezwaargronden.
  • Gemachtigde heeft op 2 december 2025 van de gronden van het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft daarop gereageerd in een nadere schriftelijk beschouwing van 17 december 2025.
  • Gemachtigde heeft op 6 januari 2026 gereageerd op de nadere schriftelijke beschouwing van UHT. UHT heeft daarop gereageerd in een e-mailbericht van 7 januari 2026.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Persoonlijk dossier

Belanghebbende verzoekt om haar (volledige) persoonlijk dossier.

De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 17 juli 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad.

De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaargronden kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Dit betekent dat de Commissie UHT adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslistermijn aanvraag KOT

Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.

De Commissie is van mening dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt. Zij laat het daarom verder onbesproken.

Compensatie 2007, 2008 en 2009

Compensatieberekening

UHT heeft naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening nagerekend en vastgesteld dat component i over toeslagjaar 2008 en de componenten o en p over alle toeslagjaren onjuist zijn berekend. Omdat deze fouten in het voordeel van belanghebbende zijn, wordt de compensatieberekening niet aangepast en het bestreden besluit niet herroepen.

De Commissie neemt met instemming hiervan kennis.

Overige bezwaren

Juistheid LIC-overzichten en bankrekeningnummer

Belanghebbende heeft voorts, samengevat weergegeven, de juistheid van de LIC-overzichten betwist. Zij heeft daarbij ook betwist dat het rekeningnummer dat in de betreffende LIC-overzichten is opgenomen en waarop de KOT is uitbetaald, [rekeningnummer], op haar naam staat.

UHT heeft in reactie op deze bezwaargrond in haar nadere beschouwing toegelicht en uiteen gezet dat er geen aanknopingspunten zijn dat de betreffende LIC-overzichten onjuist zijn. De Commissie volgt UHT in dat standpunt nu ook de Commissie uit de voorhanden zijnde stukken geen concrete aanleiding heeft gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de LIC-overzichten over de betrokken jaren.

Wat betreft het [rekeningnummer] heeft UHT in haar nadere beschouwing aan de hand van stukken onderbouwd dat het betreffende rekeningnummer op naam van belanghebbende staat (productie 2700034). UHT heeft daarbij toegelicht dat zij aanvankelijk geen bewijs had dat het rekeningnummer op naam van belanghebbende stond waardoor de omschrijving ‘betaling derden’ werd gebruikt. Later is dat gecorrigeerd nadat informatie voorhanden was dat het rekeningnummer aan belanghebbende toebehoort.

De Commissie meent dat met deze toelichting en het bewijs van de tenaamstelling van het betreffende rekeningnummer, ook dit punt is opgehelderd.

Deze bezwaargrond kan gelet hierop niet slagen.

Herbeoordeling 2005 en 2006

Belanghebbende heeft in haar bezwaar verzocht om alsnog een herbeoordeling te maken over de jaren 2005 en 2006.

In haar aanvullende beschouwing van 17 december 2025, en met inzending van een over toeslagjaren 2005 en 2006 aangevuld dossier heeft UHT aan dat verzoek gehoor gegeven en een herbeoordeling over de jaren 2005 en 2006 gemaakt. UHT concludeert dat belanghebbende over die jaren niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid, noch een O/GS-tegemoetkoming.

Gemachtigde heeft hierop gereageerd in een e-mail van 6 januari 2026. Samengevat weergegeven wordt aangevoerd dat belanghebbende over beide jaren gecompenseerd moet worden wegens vooringenomen handelen. Belanghebbende betwist daarnaast dat zij over het jaar 2006 de KOT per 10 juli 2006 heeft stopgezet. Tot slot is verzocht om de KOT over die jaren opnieuw te berekenen.

UHT heeft in reactie hierop in haar nadere beschouwing van 7 januari 2026 uiteen gezet, met verwijzing naar de relevante producties, dat en waarom belanghebbende over de jaren 2005 en 2006 niet in aanmerking komt voor compensatie wegens vooringenomen handelen. De Commissie meent dat dit oordeel juist is en kan zich vinden in de motivering die tot het oordeel van UHT heeft geleid. Er zijn bovendien geen concrete aanknopingspunten gevonden dat een ander dan belanghebbende de KOT per 10 juli 2006 heeft stopgezet.

Wat betreft het verzoek van belanghebbende om de KOT over de jaren 2005 en 2006 te herberekenen overweegt de Commissie dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij.

Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Werkelijke schade

Belanghebbende meent dat haar schade hoger is dan de toegekende schade. In het bijzonder is de vergoeding voor immateriële schade te laag vastgesteld. Zij verzoekt om haar dossier door te sturen naar de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij CWS bestemd.

UHT heeft in haar beschouwing aangegeven dat zij het dossier van belanghebbende heeft doorgezonden naar CWS. De Commissie neemt met instemming hiervan kennis.

Fraude Signalering Voorziening (FSV) en discriminatie

Belanghebbende vraagt in haar bezwaar om duidelijkheid over het antwoord op de vraag of zij opgenomen is op de FSV-lijst en of sprake is geweest van discriminatie door B/T.

In reactie daarop heeft UHT in haar aanvullende beschouwing, met verwijzing naar de bijbehorende productie 1400001, toegelicht dat belanghebbende niet is opgenomen op de FSV-lijst. Daarnaast heeft UHT aangevoerd dat zij geen aanwijzingen in haar systeem heeft gevonden dat sprake is geweest van discriminatie van belanghebbende.

De Commissie meent dat hiermee ook op dit punt duidelijkheid is verschaft aan belanghebbende. Deze bezwaargrond kan daarom niet slagen.

O/GS-kwalificatie 2009

Belanghebbende verzoekt om duidelijkheid waarom zij over het jaar 2009 een O/GS-kwalificatie heeft en wat haar door B/T wordt verweten.

UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing uiteen gezet dat de onderliggende motivering voor de O/GS-kwalificatie niet is terug te vinden.

De Commissie meent dat, nu belanghebbende over het jaar 2009 volledig is gecompenseerd (deels wegens vooringenomen handelen, deels wegens de onterechte O/GS-kwalificatie), hoewel belanghebbende hiermee geen antwoord op haar vraag heeft gekregen, de Commissie hier geen verdere gevolgen aan verbindt.

Overig

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter